Uitspraak Nº 200.257.161. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.257.161/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/554425 / HA ZA 18-668

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

OL Holding B.V.,

gevestigd te Breda,

appellante,

hierna te noemen: OL Holding,

advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg,

tegen

BGL BNP Parisbas S.A.,

gevestigd te Luxemburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BGL,

advocaat: mr. A.C. Rozeman te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het procesdossier van de eerste aanleg;

  • -

    het vonnis in incident van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2018;

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 8 maart 2019 en het anticipatie-exploot van 22 maart 2019;

  • -

    de memorie van grieven van OL Holding;

  • -

    de memorie van antwoord van BGL;

  • -

    de akte na memorie van antwoord van OL Holding;

  • -

    de antwoordakte van BGL.

2 Het geschil en de beslissing van de rechtbank
2.1.

De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de vordering die OL Holding heeft ingesteld tegen de in Luxemburg gevestigde bank BGL. De rechtbank heeft in het door BGL opgeworpen bevoegdheidsincident geoordeeld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is. OL Holding is het daar niet mee eens en is van deze beslissing in hoger beroep gekomen.

2.2.

Het bevoegdheidsincident speelt in een zaak waarin OL Holding voor de rechtbank heeft geëist dat BGL en [cedent] (hierna: [cedent]), die in Rotterdam woont, hoofdelijk worden veroordeeld om aan OL Holding te betalen een bedrag van (in hoofdsom) € 645.370,77.

2.3.

OL Holding stelt dat deze vordering in de hoofdzaak te maken heeft met, kort gezegd, het volgende:

a. [cedent] heeft begin jaren 90 bankrekeningen geopend bij de in Luxemburg gevestigde Banque Générale du Luxembourg S.A., de rechtsvoorgangster van BGL. [cedent] heeft daarop een bedrag van fl. 1 miljoen gestort.

b. In 1999 heeft [cedent] zijn vorderingen op BGL uit hoofde van zijn bij BGL aangehouden bankrekeningen gecedeerd aan [cessionaris] (hierna: [cessionaris]). Op 11 februari 1999 is van deze cessie een notariële akte opgemaakt. [cessionaris] heeft deze akte van cessie later dat jaar aan BGL betekend. Het saldo van [cedent] bij BGL bedroeg op dat moment (de tegenwaarde in guldens van) € 645.225,72.

c. BGL heeft in 2000 aan (de advocaat van) [cessionaris] laten weten dat de rekening waar het geld op stond geblokkeerd was omdat er op die rekening beslagen waren gelegd. Ook in de jaren daarna heeft BGL desgevraagd verschillende keren aan [cessionaris] meegedeeld dat de beslagen nog niet waren opgeheven en dat zolang dat niet was gebeurd, BGL niet tot uitbetaling kon overgaan.

d. Nadat de advocaat van [cessionaris] in 2013 weer contact had opgenomen met BGL, heeft BGL bericht dat alle beslagen op de rekening zijn opgeheven. BGL heeft ook bankafschriften bijgevoegd. Daaruit bleek dat het saldo nog slechts € 3,58 bedroeg.

e. [cessionaris] heeft BGL vervolgens verzocht € 645.370,77 naar hem over te maken; dit is het saldo van de rekening van [cedent] dat volgens [cessionaris] aan hem toekwam. BGL heeft dat geweigerd. BGL heeft [cessionaris] laten weten dat zijn betalingsverzoek niet strookt met documenten die in het bezit van BGL zijn, dat BGL de cessie niet heeft erkend en ook niet heeft aanvaard, en dat de cessie in 1999 op grond van procedurele redenen die bij [cedent] bekend zijn geen rechtsgevolg heeft gehad. BGL adviseerde [cessionaris] contact op te nemen met [cedent].

f. In 2017 heeft [cessionaris] zijn vorderingen op [cedent] en BGL gecedeerd aan OL Holding. [cessionaris] is bestuurder van OL Holding.

2.4.

In de bij de rechtbank aangespannen procedure in de hoofdzaak stelt OL Holding zich op het standpunt dat [cedent] en BGL hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door OL Holding geleden schade van (in hoofdsom) € 645.370,77 op grond van het volgende:

- [cedent] is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de cessie-overeenkomst waarmee hij zijn vordering op BGL heeft overgedragen aan [cessionaris]. [cedent] heeft immers, in strijd met deze overeenkomst, het saldo van zijn rekening bij BGL opgenomen of overgeboekt.

- BGL kan primair worden aangesproken omdat zij op de hoogte is gesteld van de cessie aan [cessionaris] en zij desondanks heeft toegelaten dat [cedent] geld opnam of overboekte van zijn rekening, terwijl alleen maar bevrijdend kon worden betaald aan [cessionaris]. Indien BGL van mening was dat de cessie jegens haar geen rechtsgevolg had, geldt subsidiair dat BGL onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij [cessionaris] jarenlang in de waan heeft gelaten dat wel sprake was...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT