Uitspraak Nº 200.258.508/01. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-21

Datum uitspraak:2020/07/21
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.258.508/01

Zaaknummer rechtbank : 7079703/18-15995

arrest van 21 juli 2020

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.F. Mandos te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L. Roumen te Leidschendam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 19 november 2019 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 22 juni 2020. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De rechtbank heeft in het vonnis van 20 december 2018 onder 2.1 tot en met 2.6 feiten vastgesteld. Partijen hebben in hoger beroep geen bezwaar gemaakt tegen die vaststelling, met uitzondering van de vaststelling (onder 2.2) dat [geïntimeerde] rechts was gaan rijden “om te gaan voorsorteren”. Ook het hof zal daarom van die feiten, met de bedoelde uitzondering, uitgaan.

Het gaat in deze zaak in hoger beroep nog om het volgende:

2.1

[geïntimeerde] bestuurde op 12 mei 2017 omstreeks 12.25 uur een motorfiets met kenteken [kenteken 1]. Hij reed op de Beeklaan, in de richting van de Zuiderparklaan. De weg is daar aan de rechterzijde voorzien van een fietsstrook met onderbroken streep. Aan de rechterzijde van de fietsstrook bevinden zich parkeervakken. Eén van deze parkeervakken, ter hoogte van de Beeklaan 270, is een gehandicaptenparkeerplaats. Daar stond [appellant] geparkeerd met een auto met kenteken [kenteken 2]. Enkele meters verder kruist de Beeklaan de Weimarstraat. Op dit kruispunt wordt het verkeer geregeld door verkeerslichten. Voor de verkeerslichten, die op rood stonden, stond een auto met kenteken 68-ZL-X5 te wachten.

2.2

[geïntimeerde] wilde bij het kruispunt rechtsaf slaan. Bij het naderen van deze kruising is hij op enig moment op het als fietsstrook gemarkeerde rechter gedeelte van de rijbaan gaan rijden. Toen [geïntimeerde] ter hoogte van de geparkeerde auto van [appellant] reed, opende [appellant] zijn linker portier. [geïntimeerde] botste vervolgens tegen dat portier, waardoor hij ten val kwam en met de motorfiets tegen de bij de verkeerslichten staande auto aan is gekomen. De politie heeft een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is vermeld dat [geïntimeerde] bij dit ongeval gewond is geraakt, dat zijn motorfiets daarbij zwaar beschadigd is en dat het linker portier van de auto van [appellant] daarbij is beschadigd.

2.3

[appellant] en [geïntimeerde] hebben over en weer elkaars aansprakelijkheidsverzekeraars aansprakelijk gesteld. Geen van beide verzekeraars heeft aansprakelijkheid erkend.

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat weergegeven: dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het ongeval, dat de door [appellant] als gevolg van het ongeval geleden schade vooralsnog wordt begroot op € 15.405,17 en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot vergoeding deze schade, met rente en kosten.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd, samengevat weergegeven: dat voor recht wordt verklaard dat [appellant] aansprakelijk is voor het ongeval, dat de door [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval geleden schade wordt begroot op een bedrag van € 18.374,- en dat [appellant] wordt veroordeeld tot vergoeding van deze schade, met rente en kosten.

3.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in conventie geoordeeld dat [geïntimeerde] niet jegens [appellant] aansprakelijk is voor het ongeval en daartoe het volgende overwogen:

“4.2 (…) Niet meer in geschil is (…) dat het voor een motorfiets met de intentie om voor te sorteren is toegestaan om op een van een onderbroken streep voorziene fietsstrook te rijden, mits daarbij geen fietsers worden gehinderd. [geïntimeerde] heeft bij het passeren van een op een gehandicaptenparkeerplaats geparkeerde auto evenwel ten onrechte geen extra voorzichtigheid betracht, zo stelt [appellant] zich thans op het standpunt.

4.3 (…)

Nog daargelaten dat niet valt in te zien dat en waarom [geïntimeerde] bij het passeren van de geparkeerde auto van [appellant] onvoorzichtig is...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT