Uitspraak Nº 200.262.813_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.262.813/01

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. C.A.M.J. de Wit te Veghel,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. D.H.J. Kochx te Etten-Leur,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 mei 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis in incident van 2 mei 2018, door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres in de hoofdzaak, tevens verweerster in het incident, en [geintimeerden c.s.] als gedaagden, tevens eisers in het incident, en van het vonnis van 13 maart 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geintimeerden c.s.] als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers 6568019 CV EXPL 18-91 en C/02/344381 / HA ZA 18-293)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het vonnis van de rechtbank van 22 augustus 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een eiswijziging en met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de brief van 17 juli 2019 van mr. De Wit aan de griffier van dit hof met bijlagen;

  • -

    het schriftelijke pleidooi, in het kader waarvan beide partijen een pleitnota (bevattend uitlatingen in eerste en in tweede termijn) hebben overgelegd;

  • -

    de brief van 1 juli 2020 van mr. De Wit aan de griffier van dit hof met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) Partijen zijn buren van elkaar. [appellante] is sinds 1991 eigenaresse van het perceel (woonhuis, tuin en bijgebouw c.a.) aan de [adres 1] te [woonplaats] , thans kadastraal bekend gemeente Ginneken, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 1] . [geintimeerden c.s.] zijn sinds 2016 gezamenlijk eigenaren van het naastgelegen perceel (woonhuis met erf) aan de [adres 2] , thans kadastraal bekend gemeente Ginneken, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] . Daarnaast zijn [geintimeerden c.s.] sinds 2016 gezamenlijk eigenaren van het perceel (oprit en achtertuin), thans kadastraal bekend gemeente Ginneken, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 3] .

b) De oprit van [geintimeerden c.s.] (hierna: de oprit) is, bezien vanuit de [de straat] , gelegen aan de westzijde van zijn perceel [sectieletter+sectienummer 2] en leidt naar hun achtertuin. De achtertuin van [geintimeerden c.s.] loopt evenwijdig aan de [de straat] en grenst aan de achterzijde van zijn perceel [sectieletter+sectienummer 2] , aan perceel [sectieletter+sectienummer 1] van [appellante] en aan de percelen [sectieletter+sectienummer 4] en [sectieletter+sectienummer 5] van derden. De kaart geeft de huidige situatie weer.


c) [appellante] heeft op het achterste gedeelte van haar perceel, over de gehele breedte ervan en tegen de grens met perceel [sectieletter+sectienummer 3] , een bijgebouw staan (op de kaart weergegeven met nummer [adres 3] ). Dit bijgebouw was ooit in gebruik als berging/werkplaats en is in 1991 of 1992 door [appellante] - met behulp, althans met medeweten van de rechtsvoorganger van [geintimeerden c.s.] (hierna: [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] ) - geschikt gemaakt voor zelfstandige bewoning. Bij die verbouwing is een deur aangebracht in de tegen de erfgrens met perceel [sectieletter+sectienummer 3] gelegen gevel van het bijgebouw. Deze deur heeft als hoofdingang van het bijgebouw gefungeerd.
d) In 1991 of 1992 heeft [appellante] een gedeelte, groot ongeveer 9 bij 9 meter, van perceel [sectieletter+sectienummer 3] van [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] in gebruik gekregen en ingericht als voortuin van het bijgebouw. Tussen [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] en [appellante] is op enig moment een geschil ontstaan over de aard van hun rechtsverhouding. Bij vonnis in kort geding van 8 juli 1998, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] als gedaagde, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant het bestaan van een huurovereenkomst tussen [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] en [appellante] met betrekking tot het door [appellante] in gebruik genomen gedeelte van perceel [sectieletter+sectienummer 3] aangenomen en is de vordering van [appellante] tot het ongestoord gebruik van het gehuurde toegewezen. Per 1 maart 2013 is de huurovereenkomst tussen [rechtsvoorganger van geintimeerden c.s.] en [appellante] door tussenkomst van de kantonrechter geëindigd.

e) Tot in 2010 of 2011 hebben de dochters van [appellante] in het bijgebouw gewoond. Na hun vertrek heeft [appellante] het bijgebouw enige tijd aan derden verhuurd.

f) In januari 2017 hebben [geintimeerden...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT