Uitspraak Nº 200.264.295/01. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-29

Datum uitspraak:29 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.264.295/01

rekestnummer rechtbank : FA/RK/18-1043

zaaknummer rechtbank : C/10/544472

beschikking van de meervoudige kamer van 29 juli 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.R. Schenkhuizen te Den Haag

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. D.C.A. van Wessel te Barendrecht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep
2.1

De moeder is op 13 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vader heeft op 11 oktober 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de moeder van 29 augustus 2019 met bijlagen, ingekomen op 29 augustus 2019;

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de moeder van 5 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 6 september 2019.

2.4

De raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, heeft het hof bij brief van 16 december 2019, ingekomen op 19 december 2019, laten weten in deze procedure geen onderzoek te hebben verricht en niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De feiten
3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [naam 1] , op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

  • -

    [naam 2] , op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),

hierna tezamen te noemen: de kinderen.

3.3

De vader heeft de kinderen erkend.

3.4

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.5

De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

4 De omvang van het geschil
4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    bepaald dat de vader gezamenlijk met de moeder wordt belast met het gezag over de kinderen;

  • -

    vastgesteld dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) bij de vader zullen zijn als volgt: een weekend per veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur, twee weken in de zomervakantie en de overige vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld.

4.2

De moeder is het niet eens met deze beslissingen. Zij verzoekt het hof:

primair: de bestreden beschikking partieel te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vader om hem (mede) met het gezamenlijk gezag over de kinderen te belasten af te wijzen en het verzoek van de vader om de vastgestelde zorgregeling vast te stellen af te wijzen en de zorgregeling zodanig te wijzigen dat de kinderen bij de vader verblijven: een weekend per veertien dagen van vrijdag 15:00 uur tot zondag 17:00 uur, twee weken in de zomervakantie en de overige vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte te verdelen;

subsidiair: alvorens op het hoger beroep van de moeder te beslissen, de raad op te dragen een onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over de vraag of gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is dan wel dat hierdoor sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem en/of verloren raken tussen de ouders. Zo nodig kan ook de door de moeder gewenste wijziging van de zorgregeling in het onderzoek worden meegenomen.

4.3

De vader voert daartegen verweer. Hij verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT