Uitspraak Nº 200.265.799. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2020-04-30

Datum uitspraak:30 april 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.265.799

(zaaknummer rechtbank Gelderland 347626)

beschikking van 30 april 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.E. Bakker te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.M. Veldhuis te Doetinchem.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 12 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep
2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 september 2019;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    een journaalbericht van mr. Bakker van 7 januari 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 januari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten
3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 juli 2013 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] , geboren [in] 2006 te [C] en

  • -

    [de minderjarige2] , geboren [in] 2008 te [C] .

De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 25 juli 2014 is door de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 25 juli 2014 € 176,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: kinderalimentatie) dient te betalen.

Bij beschikking van 29 november 2017 heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank van 25 juli 2014 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 1 augustus 2017 € 153,- kinderalimentatie per kind per maand zal voldoen.

4 Het geschil
4.1

Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de man (tot nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2018) afgewezen en is bepaald dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

4.2

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met ingang van 1 april 2018, dan wel een datum die het hof juist oordeelt, primair het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie toe te wijzen en subsidiair de kinderalimentatie te wijzigingen in een naar het oordeel van het hof juist bedrag, rekening houdend met de periode waarin de man in detentie verbleef, de periode waarin de man een bijstandsuitkering ontving, de periode sinds wanneer de man weer een volledig inkomen uit werk ontvangt, de schulden van de man en zijn aanmelding bij de schuldhulpverlening.

4.3

De vrouw voert verweer en verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen.

5 De overwegingen voor de beslissing
5.1

In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Gebleken is dat de man minder is gaan verdienen met ingang van januari 2018, toen hij gedetineerd raakte. Dit is naar het oordeel van het hof een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

Aanhechten draagkrachtberekeningen

5.2

Het hof zal bij de bespreking van de behoefte en draagkracht de daarbij behorende berekeningen aan deze beschikking hechten en tot uitgangspunt nemen. Het hof bespreekt hierna alleen die uitgangspunten waarover partijen van mening verschillen (voor zover van toepassing).

5.3

De richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen worden tot uitgangspunt genomen.

Ingangsdatum

5.4

De man is van mening dat de ingangsdatum moet worden vastgesteld op 1 april 2018. Hij voert daartoe aan dat vanaf 22 januari 2018 zijn inkomsten zijn gewijzigd doordat hij toen in detentie is geraakt, maar dat hij de maanden januari 2018, februari 2018 en maart 2018 nog kinderalimentatie betaald heeft, zodat de wijzigingsdatum 1 april 2018 dient te worden.

5.5

De vrouw stelt dat partijen eerder overleg hebben gevoerd over een eventuele wijziging van de alimentatie, maar dat partijen hierover geen overeenstemming hebben bereikt en dat, nu de man niet eerder een wijzigingsverzoek heeft ingediend, er geen reden is om uit te gaan van een andere ingangsdatum dan de datum van indiening van het oorspronkelijke verzoek.

5.6

Het hof overweegt het volgende. Als de rechter een alimentatieverplichting oplegt, wijzigt of laat eindigen, dan heeft hij (op grond van artikel 1:402 BW) grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum. De – gewijzigde – verplichting kan ingaan op de datum dat:

  • -

    de omstandigheden zijn gewijzigd,

  • -

    de onderhoudsgerechtigde op de hoogte was van de wijziging van de omstandigheden,

  • -

    het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend, of

  • -

    de bestreden beschikking werd gegeven.

Ook een andere datum is mogelijk, maar de rechter moet in elk geval behoedzaam omgaan met deze beslissingsvrijheid als een wijziging met terugwerkende kracht ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde, omdat die daardoor zou moeten terugbetalen wat in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Dat geldt ook voor de rechter in hoger beroep als die een in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage verlaagt of op nihil bepaalt. Het hof is van oordeel dat 1 februari 2019 als ingangsdatum moet worden gehanteerd. Dat is de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg. Vanaf die datum heeft de vrouw er rekening mee kunnen en moeten houden dat de alimentatie zou kunnen worden gewijzigd. Of de man ook een lagere bijdrage zal moeten betalen zal hierna aan de orde komen.

Hoogte behoefte kinderen

5.7

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen € 1.071,- per maand bedraagt in december 2013, geïndexeerd in 2019 is dat € 1.166,- per maand.

Draagkracht man

Inkomen

5.8

Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man na zijn detentie zijn oude inkomen had kunnen verwerven. De man stelt dat dit niet zo is en voert daartoe het volgende aan. De man heeft van 22 januari 2018 tot 5 februari 2019 in detentie verbleven ten gevolge waarvan hij op 30 juni 2018 zijn baan heeft verloren. In de beginfase na een detentie is het moeilijk om direct een baan te vinden, dat was ook zo voor de man. Ten gevolge daarvan heeft hij de eerste periode na zijn detentie een bijstandsuitkering ontvangen en was hij aangewezen op de voedselbank. Omdat het lastig is om als ex-gedetineerde de overstap te maken van een bijstandsuitkering naar fulltime betaald werk, is de man in overleg met de gemeente vanaf 19 maart 2019 gestart met werken met behoud van uitkering. Onder die omstandigheid kon hij weer aan het werk bij zijn voormalige werkgever. Sinds 1 juni 2019 ontvangt de man weer inkomen uit werk. Hij werkt gemiddeld 30,4 uur per week en zijn inkomen is € 2.437,79 bruto per maand. De man stelt dat hij in verband met zijn gezondheidstoestand niet meer dan 30,4 uur per week kan werken.

5.9

De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw betwist dat er een beletsel voor de man is geweest om na zijn detentie meteen weer volledig aan het werk te gaan. De man heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij niet meteen na het einde van de detentie weer betaald aan het werk kon. Uit de overgelegde...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT