Uitspraak Nº 200.267.229_01 en 200.267.230_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-30

Datum uitspraak:30 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.267.229/01 en 200.267.230/01

zaaknummer rechtbank : C/01/335705 / FA RK 18-3185

beschikking van de meervoudige kamer van 30 juli 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat R. Laatsman te Oss,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat I. van Dijk-van Oosterhout te Veghel.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant (’s-Hertogenbosch) van 8 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep
2.1.

De vrouw is op 4 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De man heeft op 28 november 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep tevens houdende wijziging/aanvulling verzoek ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 7 januari 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep en het gewijzigde/aanvullende verzoek ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 juni 2020 met producties 45 tot en met 50, ingekomen op 5 juni 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 12 juni 2020 met producties 28 tot en met 30, ingekomen op 19 juni 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 26 juni 2020 met bijlage, ingekomen op 27 juni 2020.

2.5.

De alimentatiekwestie en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zijn afgesplitst en ingeschreven onder de zaaknummers 200.267.229/01 (partneralimentatie) en 200.264.230/01 (afwikkeling huwelijksgemeenschap).

De zaken zijn gevoegd behandeld.

2.6.

Een mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke afdoening.

3 De feiten

Het hof gaat uit van het volgende.

( i) Partijen zijn op 3 november 1995 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

(ii) Zij zijn de ouders van de thans meerderjarige [meerderjarige] (hierna: [meerderjarige] ).

(iii) De man heeft in november 2017 een vaststellingsovereenkomst met zijn toenmalige werkgever [toenmalige werkgever] B.V. gesloten, op grond waarvan zijn arbeidsovereenkomst per 1 maart 2018 met wederzijds goedvinden werd beëindigd. Deze vaststellingsovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

‘1. De arbeidsovereenkomst wordt met wederzijds goedvinden beëindigd met ingang van 1 maart 2018 (hierna: “Beëindigingsdatum”).

2. Werkgever zal werknemer in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per de Beëindigingsdatum op basis van artikel 4.1, 4.2, 4.4 en 4.5 Sociaal Plan een Beëindigingsvergoeding vermeerderd met de Transitietermijn en verminderd met de extra maand na datum W betalen van € 243.872,52 bruto (‘Totale vergoeding’).

(…)

18. Het Sociaal Plan is onverkort van toepassing. Deze overeenkomst is een uitwerking van de verplichtingen van Werkgever, zoals verwoord in het Sociaal Plan. Voor de rechten en verplichtingen van Werkgever en Werknemer is de tekst van het Sociaal Plan te allen tijde bepalend.’

(iv) Het Sociaal Plan [toenmalige werkgever] BV (hierna: Sociaal Plan) bevat onder meer de volgende bepalingen.

Hoofdstuk 2. Definities

(…)

o. Inkomstenderving De inkomstenderving wordt volgens een vaste formule berekend. Over de periode vanaf (…) tot einde van de kalendermaand, waarin de Werknemer de (…) AOW-gerechtigde leeftijd (…) bereikt, wordt opgeteld: (…)

(…)

Hoofdstuk 4. Financiële voorzieningen

(…)

4.5

Maximering

De Beëindigingsvergoeding vermeerderd met de Transitietermijn, zoals omschreven in de artikelen 4.1.en 4.2, is altijd gemaximeerd tot de Inkomensderving, zoals berekend volgens de vaste formule in artikel 2o.’

Blijkens bijlage II behorende bij het Sociaal plan is de wettelijke transitievergoeding plus de eenmalige toeslag plus de transitietermijn maximaal de inkomensderving tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

(v) Aan de man is op grond van de vaststellingsovereenkomst in maart 2018 een bedrag van € 117.180,70 netto uitbetaald.

(vi) Op 29 juni 2018 heeft de man bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.

(vii) Daarop is bij de bestreden beschikking de echtscheiding uitgesproken.

(viii) De echtscheidingsbeschikking is op 15 november 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil
4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

  • -

    bepaald dat de man € 70,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  • -

    de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vastgesteld (het hof begrijpt: gelast) zoals vermeld in rov. 2.6.3. tot en met 2.6.12. en 2.7.6. van die beschikking;

  • -

    bepaald dat de man een vordering heeft op de vrouw ten bedrage van € 22.515,29.

4.2.

De grieven van de vrouw gaan over:

- haar (aanvullende) behoefte aan partneralimentatie (grieven 1, 2 en 3);

- de ontslagvergoeding van de man (grieven 4 t/m 9);

- de auto Suzuki SX4-s-cross met kenteken [kenteken] (hierna: Suzuki, grief 10).

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3.

De grief van de man ziet op de limitering, subsidiair de nihilstelling op termijn van de partneralimentatie. Voorts heeft de man een aanvullend verzoek gedaan en daarbij een beroep gedaan op art. 1:164 BW.

De man verzoekt na wijziging/aanvulling van zijn verzoek de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat:

I. zijn onderhoudsverplichting wordt gelimiteerd tot [geboortedatum] 2021, dan wel per [geboortedatum] 2021 op nihil wordt gesteld, subsidiair dat deze wordt gelimiteerd tot [geboortedatum] 2024, dan wel per 24 maart 2024 op nihil wordt gesteld;

II. te verklaren voor recht dat de man aanspraak op de huwelijksgemeenschap heeft ten bedrage van € 70.000,--, dan wel de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 35.000,--;

III. te verklaren voor recht dat ieder van partijen jegens de huwelijksgemeenschap aanspraak heeft op een bedrag van € 2.416,--;

IV. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 21.174,26,--;

V. te bepalen dat de vrouw gehouden is de door haar aangerichte schade aan de gemeenschap ten bedrage van € 23.587,93 aan de gemeenschap te vergoeden.

4.4.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing
5.1.

Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de vrouw echter geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding en de echtscheidingsbeschikking reeds is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand zal het hof het verzoek van de vrouw in zoverre afwijzen.

Partneralimentatie

Behoefte vrouw (grieven 1 t/m 3 van de vrouw)

5.2.

De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de behoefte van de vrouw € 1.628,-- netto per maand is (rov. 2.5.2.).

5.3.

De vrouw stelt middels haar grieven 1 t/m 3 de hoogte van haar behoefte (opnieuw) ter discussie. Blijkens de door haar overgelegde alimentatieberekening (behoeftebepaling) bedroeg haar huwelijksgerelateerde behoefte, uitgaande van een netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk van € 3.318,--, minimaal € 1.991,-- per maand (prod. 27). Zij stelt dat in ‘de behoefteberekening’ geen rekening is gehouden met de ontslagvergoeding die aan de man is toegekend en de thuiswonende [meerderjarige] die lijdt aan PDD-NOS.

5.4.

De man voert hiertegen het volgende aan.

De vrouw heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de ontslagvergoeding bij de verdeling moet worden meegenomen en niet bij de berekening van de partneralimentatie.

Het argument dat in de behoefteberekening geen rekening is gehouden met de thuiswonende meerderjarige [meerderjarige] heeft de vrouw niet toegelicht en is onduidelijk.

5.5.

Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus dat zij stelt dat bij de bepaling van haar huwelijksgerelateerde behoefte rekening moet worden gehouden met de ontslagvergoeding van de man en de thuiswonende [meerderjarige] , waardoor deze op een hoger bedrag uitkomt dan het bedrag van € 1.628,-- waarvan de rechtbank is uit gegaan en minimaal op € 1.991,--. De vrouw heeft echter nagelaten haar stelling nader te onderbouwen. Zo heeft zij niet duidelijk gemaakt in welke mate de ontslagvergoeding haar behoefte heeft bepaald en evenmin op grond waarvan rekening gehouden moet worden met het feit dat [meerderjarige] , die meerderjarig is, nog thuis woonde en tot welke huwelijksgerelateerde behoefte dit zou moeten leiden anders dan een bedrag van ‘minimaal € 1.991,--’. Zij heeft derhalve niet aan haar stelplicht voldaan. Het hof zal daarom evenals de rechtbank uitgaan van een huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.628,-- netto per maand. Voor zover de grieven van de vrouw zijn gericht tegen de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte, falen deze derhalve.

Aanvullende behoefte vrouw

5.6.

De vrouw betwist dat zij een verdiencapaciteit heeft van € 1.592,-- per maand, zoals door de rechtbank is aangenomen. Zij voert...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT