Uitspraak Nº 200.268.324_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.268.324/01

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. W.M.H. Weijmans te Gemert,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [timmer- en klusbedrijf] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.W. Mouthaan te Renswoude,

in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 19 juli 2019 (nummer 18/03052), waarbij het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2016 (zaaknummer 200.165.072) is verworpen en waarbij de arresten van dat hof van 7 maart 2017 en 8 mei 2018 zijn vernietigd, in het hoger beroep van het vonnis van 4 februari 2015 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (nummer C/05/266487 / HA ZA 14-355) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

1 Het geding in feitelijke instanties en in cassatie

Het hof verwijst naar bovengenoemd arrest van de Hoge Raad.

2 Het geding na verwijzing
2.1.

Bij exploot van 22 augustus 2019 heeft [geïntimeerde] de zaak aanhangig gemaakt bij dit hof. [geïntimeerde] heeft vervolgens een memorie na verwijzing, met producties, genomen. [appellant] heeft een antwoordmemorie na verwijzing genomen, met een productie.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovengenoemde stukken, de stukken genoemd in het arrest van 22 maart 2016 en de ingevolge dat arrest genomen akte van [geïntimeerde] en antwoordakte van [appellant] , en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten:

a) [geïntimeerde] heeft een timmer- en klusbedrijf.

b) [geïntimeerde] en [appellant] zijn medio 2011 met elkaar overeengekomen dat [geïntimeerde] zich voor [appellant] zou inzetten bij de bouw van een woning.

c) [geïntimeerde] heeft bouwwerkzaamheden voor [appellant] verricht en heeft ter zake daarvan een aantal facturen aan [appellant] toegestuurd, waarbij de eerste vier betrekking hebben op termijnen, zonder nadere omschrijving. De gefactureerde bedragen zijn door [appellant] betaald.

d) De twee laatste facturen houden onder het kopje ‘Bouw woonhuis’ omschrijvingen in van materialen en werk. Het gaat daarbij om bedragen van € 38.312,05 inclusief btw (factuur van 30 september 2012 met nummer [factuurnummer 1] ) en € 27.106,42 inclusief btw (factuur van 10 december 2012 met nummer [factuurnummer 2] ). [appellant] heeft deze bedragen niet betaald.

e) Bij brief van 20 mei 2014 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat hij de overeenkomst ontbindt wat betreft het nog niet uitgevoerde deel daarvan.

Het geding in eerste aanleg

3.2.1.

In dit geding vordert [geïntimeerde] :

- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 65.418,47 vermeerderd met wettelijke rente,

- een verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst partieel is ontbonden, namelijk voor het nog niet uitgevoerde gedeelte, dan wel de overeenkomst partieel te ontbinden,

- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 12.294,80, vermeerderd met wettelijke rente, als aanvullende schadevergoeding,

- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 1.429,18 aan buitengerechtelijke incassokosten, en

- veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.2.

De rechtbank heeft, uitvoerbaar bij voorraad:

- [appellant] veroordeeld tot betaling van € 65.418,47, vermeerderd met wettelijke rente,

- voor recht verklaard dat de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst partieel is ontbonden, namelijk voor het nog door [geïntimeerde] uit te voeren gedeelte,

- [appellant] veroordeeld tot betaling van een aanvullende schadevergoeding van € 9.429,80,

- [appellant] veroordeeld tot betaling van € 1.429,18 aan buitengerechtelijke kosten,

- [appellant] veroordeeld in de proceskosten, waaronder nakosten, vermeerderd met wettelijke rente,

en de vorderingen voor het overige afgewezen.

Het geding in hoger beroep (Hof Arnhem-Leeuwarden)

3.3.1.

[appellant] heeft in hoger beroep negen genummerde grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en nakosten.

3.3.2.

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 28 april 2015 een incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen. In zijn tussenarrest van 22 maart 2016 heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op aanvullende schadevergoeding (rov. 4.2-4.3), zodat de (tegen toewijzing van die schadevergoeding gerichte) grief II slaagt. Het hof heeft verder overwogen dat [geïntimeerde] de bewijslast draagt van de stelling dat hij het gefactureerde werk heeft uitgevoerd en de in rekening gebrachte materialen heeft geleverd (rov. 4.6). Het hof heeft in dit verband een aantal posten geïdentificeerd waarover partijen naar het oordeel van het hof van mening verschillen (rov. 4.7). Het hof heeft [geïntimeerde] in staat gesteld om bij akte nader in te gaan op deze posten, alsook op een aantal andere verweren van [appellant] (rov. 4.8, 4.9). Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld daarop, alsook op een aantal verweren van [geïntimeerde] , bij antwoordakte te reageren (rov. 4.4, 4.8, 4.9). Het hof heeft ten slotte een comparitie van partijen gelast om nadere inlichtingen in te winnen en een schikking te beproeven, en het heeft daartoe een raadsheer-commissaris benoemd. De comparitie heeft op 11 juli 2016 plaatsgevonden.

3.3.3.

Bij tussenarrest van 7 maart 2017 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld over de toewijsbaarheid van de vordering ten aanzien van een aantal posten (rov. 2.5) en [geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van bewijs van door hem gestelde werkuren (rov. 2.6). In het eindarrest van 8 mei 2018 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 13.140,- in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, en € 906,40 voor buitengerechtelijke kosten.

Het geding in cassatie

3.4.1.

[geïntimeerde] heeft cassatieberoep ingesteld tegen deze arresten. [geïntimeerde] heeft met succes geklaagd over het gelasten van een enkelvoudige comparitie in deze meervoudig te beslissen zaak. De Hoge Raad heeft de arresten van 7 maart 2017 en 8 mei 2018 daarom vernietigd. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat de in die arresten behandelde materie na verwijzing opnieuw dient te worden beoordeeld (rov. 4.4).

3.4.2.

De Hoge Raad heeft daarnaast de klachten behandeld van [geïntimeerde] tegen rechtsoverwegingen 4.5-4.7 van het arrest van 22 maart 2016. Volgens deze klachten heeft [appellant] in hoger beroep niet aangevoerd dat [geïntimeerde] de in de facturen [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] opgenomen materialen niet heeft geleverd en zijn verweer beperkt tot die facturen, althans tot enkele specifieke posten. Volgens de klachten had het hof Arnhem-Leeuwarden zich moeten beperken tot een beoordeling van het verweer van [appellant] tegen de facturen [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] (met uitzondering van de geleverde materialen) en (subsidiair) alleen de posten moeten beoordelen die [appellant] specifiek had betwist. De Hoge Raad heeft deze klachten verworpen en daartoe overwogen dat, gelet op de algemeen geformuleerde stellingen in de memorie van grieven, niet onbegrijpelijk is dat het hof Arnhem-Leeuwarden de betwisting door [appellant] ruimer heeft opgevat dan als betwisting van alleen de niet betaalde facturen [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] , die betwisting ook heeft betrokken op beweerdelijk geleverde materialen en de betwisting niet heeft beperkt tot de posten die specifiek door [appellant] waren genoemd. Tot slot heeft de Hoge Raad overwogen dat het arrest van 22 maart 2016 kennelijk mede diende ter voorbereiding van een comparitie waarin het geschil in overleg met partijen kon worden geconcretiseerd, met daarbij de mogelijkheid dat bepaalde posten alsnog konden worden aangemerkt als door [geïntimeerde] gesteld en door [appellant] erkend dan wel onvoldoende betwist. Ook na verwijzing geldt dit als uitgangspunt (rov. 4.7). Ten slotte heeft de Hoge Raad de klacht van [geïntimeerde] tegen het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden dat de gevorderde vervangende schadevergoeding niet toewijsbaar is, verworpen (rov. 4.8).

Het geding na verwijzing

3.5.1.

Bij memorie na verwijzing heeft [geïntimeerde] zich op het standpunt gesteld dat een juist vervolg op het arrest van 22 maart 2016 inhoudt dat nog op een viertal punten door dit hof wordt beslist:

- een aantal materiaalposten,

- het aantal timmeruren dat [geïntimeerde] aan het werk heeft besteed,

- bouwkundige gebreken, en

- schuldeisersverzuim.

3.5.2.

Aan het slot van de memorie na verwijzing lijkt [geïntimeerde] zijn eis te vermeerderen of te wijzigen, in de zin dat [geïntimeerde] wettelijke handelsrente vordert over de hoofdsom waar hij aanvankelijk de gewone wettelijke rente vorderde.

Het hof overweegt dat de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep beperkt in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer: HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972) dient bovendien, ingevolge art. 424 Rv...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT