Uitspraak Nº 200.271.379_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.271.379/01

arrest van 28 juli 2020

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk te Helmond,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.A.G. Verstappen te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 december 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 december 2019, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/351807 / KG ZA 19-648)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven, eiswijziging en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellante] met productie 6;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] met productie 9.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling
3.1.

Deze procedure gaat over de kosten van kinderopvang. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

  2. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren.

  3. [geïntimeerde] heeft [de minderjarige] erkend.

  4. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

  5. Bij de beëindiging van de affectieve relatie hebben partijen afspraken gemaakt over de omgang en de kosten van [de minderjarige] . Zij hebben de rechtbank verzocht de gemaakte afspraken op te nemen in een beschikking. De toenmalige advocaat van [appellante] schrijft hierover in de brief aan de rechtbank van 13 maart 2017 het volgende:

“Namens de vrouw [ [appellante] ] verzoek ik u een beschikking te nemen, waarin staat opgenomen:

(…) – dat de man [ [geïntimeerde] ]met ingang van 20 februari 2017 de kosten van kinderopvang voor [de minderjarige] in de volle even weken, voor zijn rekening zal nemen en zal voldoen, zulks zonder verdere verrekening met de vrouw.”

De toenmalige advocaat van [geïntimeerde] heeft bij F9-formulier van 13 maart 2017 bericht dat “ik akkoord ga met de inhoud van het schrijven van mr. I. Gerrand [de toenmalige advocaat van [appellante] ] d.d. 13 maart 2017 betreffende de bereikte overeenstemming tussen partijen.”

Bij beschikking van 22 maart 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant overeenkomstig de afspraken van partijen het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij [appellante] bepaald, de door [geïntimeerde] aan [appellante] te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2017 vastgesteld op € 25,-- per maand en bepaald dat [de minderjarige] één weekeinde per 14 dagen bij [geïntimeerde] zal verblijven van vrijdag na school tot maandagochtend voor school, alsmede gedurende zo veel mogelijk de helft van de vakanties en wettelijke feestdagen, in onderling overleg nader te regelen.

Over de kosten van kinderopvang heeft de rechtbank in voornoemde beschikking van 22 maart 2017 overwogen:

“2.3. Uit de hiervoor genoemde correspondentie blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt, in die zin dat:

(…)

 de man [ [geïntimeerde] ] met ingang van 1 februari 2017 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal voldoen van € 25,00 per maand waarbij hij tevens vanaf 20 februari 2017 de kosten van kinderopvang voor [de minderjarige] in de volle even weken zal voldoen.”

Voor zover is verzocht dat [geïntimeerde] de kosten van kinderopvang zal betalen, heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Dat laat onverlet dat partijen zijn gebonden aan hetgeen zij met betrekking tot die kosten hebben afgesproken, aldus de rechtbank.

Op 5 en 6 mei 2017 vindt de volgende WhatsApp conversatie tussen partijen plaats:

[geïntimeerde] : “ [roepnaam appellante] ik heb een probleem ik moet [de minderjarige] van de opvang halen omdat ik geen opvangtoeslag meer krijg en heb nu al een schuld boven de 3000.. Heb nu echt een groot probleem weet jij misschien iets?”

[appellante] : “Dus je zal er aan moeten geloven helaas ik had ook schuld wat ik nu nog afbetaal van 3300 euro schuld van ons toen”

[geïntimeerde] : “Ja dus ik haal m eraf en pas mijn week gewoon op”, “En anders regel ik iets”, “Vanaf juni kan hij toch niet meer opvang want dan is die 4”

[appellante] : “Jaa”, “Hoe ga jij nu ineens jou week oppassen”

i. Op een ander moment vindt de volgende WhatsApp conversatie tussen partijen plaats:

[appellante] : “Kan de opvang gewoon verlengen tot hij naar school gaat”, “Dat ga ik iig doen”, “Dus het is helemaal niet nog twee weken”, “Hij gaat toch niet naar school zodra hij vier is”

[geïntimeerde] : “Dat jij het verlengd is niet mijn pakkie aan ik zou de opvang regelen totdat hij 4 zou worden nou dat is gebeurd tot zekere hoogte behalve de laatste 2 weekjes”

[appellante] : “Nee tot hij naar school gaat”, “Wat heeft vier worden met iets te maken”, “Dat hij naar school gaat was de reden omdat hij dan niet meer nr de opvang hoeft.”, Als hij niet naar school en opvang gaat waar gaat hij dan heen.. slaat nergens op wat je zegt”

Op eveneens een ander moment vindt de volgende WhatsApp conversatie tussen partijen plaats:

[appellante] : “Ik ga het in iedergeval verlengen”, “Anders moet hij bso”, “Hij gaat...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT