Uitspraak Nº 200.273.712_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-04-30

Datum uitspraak:30 april 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 30 april 2020

Zaaknummer : 200.273.712/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/271993 / JE RK 19-2867 en C/03/271994 / JE RK 19-2868

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost - Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ; en

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] , wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de vader);

- de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Zuid-Limburg (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019, op schrift gesteld op 20 december 2019.

2 Het geding in hoger beroep
2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 februari 2020, en aangevuld ter mondelinge behandeling, heeft de moeder (althans zo begrijpt het hof) het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verleende machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg en opnieuw rechtdoende:

primair: een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de plaatsing van de kinderen bij haar, dan wel;

subsidiair: het verzoek van de raad af te wijzen en het vóór de uithuisplaatsing van de kinderen geldende co-ouderschap te laten voortduren ; dan wel;

uiterst subsidiair: de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te beperken tot 24 mei 2020;

althans een voorziening te treffen die het hof juist acht.

2.2.

Er is van de zijde van de raad geen verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2020.

Bij die gelegenheid zijn middels een video-verbinding en telefoon op afstand gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Brinkman;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 14 februari 2020;

  • -

    het V6-formulier met als bijlage productie 3 van het beroepschrift van de advocaat van de moeder d.d. 19 februari 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 28 februari 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 24 maart 2020.

3 De beoordeling
3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ; en

  • -

    [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

3.1.1.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.1.2.

Bij de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

14 december 2018 is het hoofdverblijf van [minderjarige 1] vastgesteld bij de moeder en het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader. Tussen de ouders is er sprake van een co-ouderschapsregeling.

3.1.3.

Bij beschikking van 24 september 2019 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2]...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT