Uitspraak Nº 200.273.315. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof Arnhem 200.273.315

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem)

beschikking van 28 juli 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr.drs. J.L. Zegelink te Elst,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K.L.M. Kremer te Utrecht.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 11 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep
2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 3 februari 2020;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kremer van 29 mei 2020 met producties A tot en met H en een begeleidend schrijven;

  • -

    drie journaalberichten van mr. Zegelink van 29 mei 2020 met respectievelijk

o bijlagen 1 tot en met 8;

o de spreekaantekeningen zijdens de vrouw en bijlagen 1 tot en met 5, en;

o de spreekaantekeningen zijdens de man, een reactie van de vrouw daarop en

bijlagen 1 tot en met 4;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kremer van 8 juni 2020 met een reactie van de man op de spreekaantekeningen zijdens de vrouw;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kremer van 9 juni 2020 met producties I en J, en

  • -

    een journaalbericht van mr. Kremer van 11 juni 2020.

2.2

In verband met het (beleid ten aanzien van) het coronavirus heeft het hof partijen de mogelijkheid geboden om te kiezen voor een schriftelijke afdoening van de zaak. Partijen hebben het hof laten weten dat zij instemmen met een schriftelijke afdoening van deze procedure. Partijen hebben vervolgens gebruik gemaakt van de gelegenheid spreekaantekeningen in het geding te brengen.

2.3

Bij voormeld journaalbericht van 11 juni 2020 heeft mr. Kremer namens de man bezwaar gemaakt tegen de door mr. Zegelink op 8 juni 2020 ingediende stukken bij de reactie van de vrouw op de spreekaantekeningen van de man. Mr. Kremer stelt dat hij pas op 10 juni 2020 kennis heeft genomen van deze stukken (niet zijnde de spreekaantekeningen en de reactie hierop), omdat deze te laat zijn ingediend en dat hij daarom niet op die stukken heeft kunnen reageren. De advocaat van de vrouw heeft de door mr. Kremer overgelegde stukken wel tijdig - op 29 mei 2020 - ontvangen. Mr. Kremer verzoekt het hof daarom geen kennis van de bijlagen 1 tot en met 4 te nemen.

Het hof stelt vast dat beide partijen spreekaantekeningen met onderliggende stukken hebben ingediend en op elkaars stukken hebben gereageerd. De vrouw neemt met de bij haar reactie op de spreekaantekeningen van de man overgelegde nieuwe bijlagen 1 tot en met 4 een extra termijn. Het hof acht dit in strijd met de goede procesorde.

Het hof neemt bij zijn beoordeling daarom de volgende namens de vrouw overgelegde bijlagen niet in aanmerking:

  • -

    vakantieplanning 2019,

  • -

    hemelvaart,

  • -

    wel of geen uitzending? en

  • -

    openstaande kosten kinderopvang.

3 De feiten
3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), geboren [in] 2013 te [B] , en

  • -

    [de minderjarige2] ( [de minderjarige2] ), geboren [in] 2016 te [B] .

De man heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3.2

De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

In het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan dat de man op 21 september 2017 heeft ondertekend en de vrouw op 30 september 2017, hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) en over de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen aan de vrouw(hierna: kinderalimentatie).

Met betrekking tot de zorgregeling in de vakanties zijn partijen overeengekomen dat een gelijke verdeling het uitgangspunt is en dat daarbij rekening wordt gehouden met het werk van de ouders. Met betrekking tot de kinderalimentatie zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van 1 oktober 2017 aan de vrouw een bijdrage zal voldoen van in totaal € 450,- per maand, met ingang van 1 januari 2018 jaarlijks te indexeren.

4 Het geschil
4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het ouderschapsplan gewijzigd en - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat:

  • -

    als zorgregeling geldt de regeling zoals in de bestreden beschikking onder 4.3, 4.4 en 4.5 is overwogen (voor zover hier van belang inhoudende: vanaf de zomervakantie 2020 verblijven de kinderen de eerste twee weken en de vijfde week bij de man, in de derde, vierde en zesde week verblijven de kinderen bij de vrouw. Indien het partijen of één van hen niet lukt om in verband met werkzaamheden de nieuwe regeling niet na te komen, dan moeten zij in onderling overleg tot een andere regeling komen. Daarbij kan alleen bij overeenstemming worden afgeweken van de hiervoor genoemde frequentie.);

  • -

    de kinderalimentatie met ingang van 14 mei 2019 nader wordt bepaald op nihil, waarbij de vrouw hetgeen wat betaald is door de man of wat op hem is verhaald sinds die datum niet hoeft terug te betalen;

  • -

    elke partij de eigen kosten van de procedure draagt;

en heeft de rechtbank het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de zorgregeling in de zomervakantie en de kinderalimentatie.

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt uitsluitend ten aanzien van de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling gedurende de zomervakantie en de kinderalimentatie) en in zoverre opnieuw beschikkende, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te beslissen rekening houdend met de ingebrachte grieven en met compensatie van de kosten, in die zin dat iedere partijen zijn/haar eigen kosten draagt.

4.3

De man voert verweer en verzoekt het hof om de vrouw met betrekking tot het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT