Uitspraak Nº 200.274.264_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-23

Datum uitspraak:23 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 23 juli 2020

VB nummer eerste aanleg : 41694

Zaaknummer eerste aanleg : 7695005 UE VERZ 19-2156
Zaaknummer : 200.274.264/01

in de zaak van

[vader] , in zijn hoedanigheid van mede-eigenaar van het registergoed (hierna ook: de woning) aan de [adres] te [woonplaats] , tevens mede-ouderlijk gezag uitoefenende over de hierna te noemen minderjarige kinderen,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: [vader] dan wel vader,

advocaat: mr. E.E. Frenken

Belanghebbenden:

[moeder] ,

appellant in incidenteel appel

hierna te noemen: [moeder] dan wel moeder,

advocaat: mr. W. van de Velde,

in haar hoedanigheid van moeder en mede-ouderlijk gezag uitoefenende over de minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum] 2004,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum] 2006,

[minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum] 2010,

waarbij deze minderjarigen belanghebbenden zijn in hun hoedanigheid van mede-eigenaren van het registergoed (hierna ook: de woning) aan de [adres] te [woonplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2019, waarbij het verzoek van [vader] om een machtiging te krijgen teneinde een recht van hypotheek te mogen vestigen op het registergoed gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , is afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep
2.1.

Bij beroepschrift met producties (1 t/m 23), ingekomen ter griffie van dit hof op 13 februari 2020 heeft [vader] het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn in eerste aanleg gewijzigde verzoek om hem te machtigen om mede namens de hiervoor vermelde minderjarigen een recht van hypotheek te vestigen voor een maximaal bedrag van € 66.937,50, alsnog toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, tevens beroepschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 5 mei 2020, heeft [moeder] het hof verzocht in principaal appel het beroep van [vader] af te wijzen. In incidenteel appel heeft [moeder] verzocht – voor zover [vader] niet vóór 15 mei 2020 schriftelijk aan haar heeft laten weten dat hij met haar aanbod om het aandeel in de woning van de kinderen over te nemen voor € 150.000,- akkoord gaat of dat hij de financiële mogelijkheid voor hem tot een dergelijke overname nader wenst te onderzoeken en voor zover de notariële overdracht van het aandeel van de kinderen in de woning aan de man niet plaats zal hebben gevonden uiterlijk op 1 augustus 2020 - haar te machtigen tot het te gelde maken/verkopen van de woning voor een minimum verkoopprijs van € 290.000,-.

Daarbij is verder verzocht -verkort weergegeven-:

- te bepalen dat het arrest van het hof in de plaats zal treden van iedere van de man vereiste toestemming of medewerking,

- [vader] te veroordelen om medewerking te verlenen aan het passeren van een transportakte,

- te bepalen dat bij gebrek aan die laatst vermelde medewerking het arrest van het hof in de plaats zal treden van de vereiste notariële akte van levering

en

- [vader] te veroordelen om binnen 48 uur voor het transport de woning te ontruimen.

Verder is verzocht [vader] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 27 mei 2020 heeft [vader] primair verzocht dat [moeder] in haar verzoeken niet-ontvankelijk wordt verklaard dan wel dat haar verzoeken worden afgewezen.

2.4.

De mondelinge behandeling was oorspronkelijk gepland op 8 april 2020 maar is in verband met het Coronavirus door het hof ambtshalve verplaatst naar de zitting van 10 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [vader] ;

  • -

    mr. Frenken, advocaat van [vader]

  • -

    [moeder] ;

  • -

    mr. Van de Velde, advocaat van [moeder] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 9 oktober 2019;

  • -

    een indieningsformulier d.d. 25 mei 2020 met -naast reeds vermeld verweerschrift in incidenteel appel- een productieoverzicht en productie 24, ingediend namens [vader] ;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Frenken overgelegde en voorgedragen ‘aantekeningen mondelinge behandeling’ .

3 De beoordeling

in het principaal en in het incidenteel appel

3.1.

Voor een overzicht van de feiten verwijst het hof allereerst naar hetgeen hierover door de kantonrechter in de beschikking waarvan beroep is opgenomen.

3.2.

De kantonrechter heeft het verzoek van [vader] om een machtiging teneinde een recht van hypotheek te kunnen vestigen op de woning waarin hij en de kinderen (de kinderen regelmatig in het kader van een omgangsregeling) verblijven, afgewezen. De kantonrechter heeft daarbij – kort en bondig weergegeven – overwogen dat bij toetsing van de maatstaf van artikel 1:356 BW onvoldoende is gebleken dat het vestigen van een hypotheek in het belang van de minderjarigen is. Als gevolg van het vestigen van een hypotheek zal de woning worden bezwaard. Vader heeft niet duidelijk gemaakt of hij de lening voor het einde van de looptijd tussentijds wil of zal gaan aflossen. Indien vader onverhoopt zijn...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT