Uitspraak Nº 200.275.263_01 en 200.275.263_02. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-04-30

Datum uitspraak:30 april 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 30 april 2020

Zaaknummers : 200.275.263/01 en 200.275.263/02

Zaaknummer 1e aanleg : C102/367873/ JE RK 20-89

in de zaken in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Loonstein,

tegen

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens;

mr. M.A. Breewel-Witteveen,

kantoorhoudende te Roosendaal,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking van 26 maart 2020
5.1.

In die beschikking heeft het hof overwogen dat, kort gezegd, [minderjarige 1] zich niet vrij voelt om naar het hof te komen. Louter om haar een stem te geven in de onderhavige procedure, achtte het hof het daarom noodzakelijk dat er een bijzondere curator zou worden benoemd die haar in rechte kan vertegenwoordigen.

5.2.

Het hof heeft derhalve, kort en zakelijk weergegeven:

  • -

    uitvoerbaar bij voorraad, over de minderjarige [minderjarige 1] tot bijzondere curator benoemd: mr. M.A. Breewel-Witteveen en de bijzondere curator, wanneer zij schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en haar eventueel advies, dan wel, vooruitlopend op een mondeling verslag ter mondelinge behandeling, het hof anderszins schriftelijk bericht, verzocht dit te doen uiterlijk op 9 april 2020, met gelijktijdige verzending daarvan aan de GI en aan de betrokken advocaten;

  • -

    de zaak pro forma aangehouden tot de hiervoor genoemde datum, zulks in afwachting van voornoemd verslag of een ander schriftelijk bericht van de bijzondere curator, en van de overige procedurele verrichtingen die in deze zaak nog zullen volgen;

  • -

    zich iedere verdere beslissing voorgehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.

De bijzondere curator heeft op 3 en 6 april 2020 telefonisch contact gehad met [minderjarige 1] en zij hebben via e-mail contact met elkaar gehad.

Bij brief van 14 april 2020 heeft de bijzondere curator de mening van [minderjarige 1] verwoord en verslag gedaan van haar eigen bevindingen.

De inhoud van het verslag van de bijzondere curator is bekend bij alle betrokkenen; zij hebben tijdens de mondelinge behandeling van 21 april 2020 (zie 6.3.) de gelegenheid gekregen daarop te reageren.

6.2.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van mr. Mattheussens van 17 april 2020. Hoewel deze stukken kort voor de mondelinge behandeling zijn ingekomen, neemt het hof deze stukken mee bij de beoordeling. Het betreft voor een groot deel stukken die al eerder waren overgelegd en voor het overige zijn het stukken die wel van belang zijn, maar niet eerder konden worden ingediend. In zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming kunnen onder die omstandigheden ook binnen de termijn van tien kalenderdagen nog stukken worden overgelegd. Overigens is hiertegen geen bezwaar gemaakt.

6.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2020.

Bij die gelegenheid zijn (gezien de maatregelen rondom het coronavirus) via een videoverbinding gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. H.J. Oosterhage, waarnemend voor mr. Loonstein;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] (de gezinsvoogd);

- de vader, bijgestaan door mr. Mattheussens.

6.3.1.

De raad is eveneens opgeroepen, maar heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling het hof bericht niet te zullen verschijnen.

6.4.

Tot slot is ingekomen een brief met bijlagen van de GI van 17 april 2020, ingekomen ter griffie op 21 april 2020. Aangezien deze stukken pas op de dag van de mondelinge behandeling zijn ingekomen en deze stukken de behandelend kamer pas na het sluiten van de mondelinge behandeling hebben bereikt, laat het hof deze stukken bij de beoordeling buiten beschouwing.

7 De verdere beoordeling
7.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna te noemen

[minderjarige 3] ).

Deze beschikking betreft, zoals gezegd, alleen de minderjarige [minderjarige 1] .

7.2.

[minderjarige 1] staat sinds 16 november 2017 onder toezicht van de GI.

De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) is laatstelijk bij beschikking van 6 november 2019 verlengd tot 16 mei 2020. Daarbij heeft de rechtbank de behandeling van het resterende deel van het verzoek (verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen tot 16 november 2020) aangehouden tot de mondelinge behandeling van 1 mei 2020 te 11:30 uur. Deze procedure heeft het zaaknummer C/02/363704 / JE RK 19-1840.

7.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige 1] met ingang van 28 februari 2020 tot uiterlijk 16 mei 2020 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

7.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

7.5.

De moeder voert in het beroepschrift - samengevat - het volgende aan.

Het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De brieven van de GI van 13 en 18 februari 2020 hadden niet mogen worden meegenomen. De moeder wijst op de laksheid van de GI. De aanvullende informatie is pas zeer laat aan de rechtbank toegezonden en was bovendien onvolledig. Op de aanvullende informatie heeft moeder niet (meer) kunnen reageren. Artikel 3 IVRK en artikel 6 EVRM zijn geschonden.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de moeder zich machteloos voelt binnen de kaders van de ondertoezichtstelling; dat de moeder aangeboden hulp ook op dat vlak feitelijk afslaat; dat de moeder zegt het beste te willen voor haar kind, maar in haar feitelijke gedragingen de geboden hulp telkens afwijst. Verder is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan, dat de opdracht aan de GI tot benoeming van een mentor voor de moeder opnieuw is gereduceerd tot een punt om kritiek te hebben op de GI. Er had door de GI een mentor benoemd moeten worden om de relatie tussen de GI en de moeder te bevorderen in plaats van een verzoek tot uithuisplaatsing in te dienen.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat ook omdat [minderjarige 1] behoefte heeft aan een eigen hulpverlener, nader onderzocht moet worden hoe de ontwikkeling van [minderjarige 1] verloopt en dat de hulpverlening niet vanuit de thuissituatie kan plaatsvinden. De moeder is in staat aanwijzingen na te komen die in het belang zijn van [minderjarige 1] . De nadelen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT