Uitspraak Nº 200.278.069_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-30

Datum uitspraak:30 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 30 juli 2020

Zaaknummer : 200.278.069/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/357483 / JE RK 19-663

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. van Vliet,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] en

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] , hierna te noemen de vader;

- Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 april 2020.

2 Het geding in hoger beroep
2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 mei 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad om de minderjarigen onder toezicht van de GI te stellen alsnog af te wijzen.

2.2.

Van de zijde van de raad en de GI is geen verweerschrift ontvangen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juni 2020 samen met de zaak bij het hof bekend onder nummer 200.271.457/01. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Vliet;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de GI aan de rechtbank van 25 maart 2020;

- het faxbericht van de GI van 19 juni 2020 met het plan van aanpak;

- de brief van de raad van 2 juli 2020;

- het faxbericht van de GI van 3 juli 2020 met daarbij het verslag van Pandor.

3 De beoordeling
3.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ,

hierna samen de kinderen genoemd.

De moeder en de vader oefenen met ingang van 2 december 2019 gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep aan de orde, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 14 april 2020 verlengd tot 14 juli 2020.

3.3.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – kort samengevat – het volgende aan.

Primair is haar standpunt dat er geen gronden voor een ondertoezichtstelling zijn. De kinderen worden niet ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en in het vrijwillig kader zijn positieve stappen gezet.

Sinds januari 2019 heerst er weer rust in het gezin van de moeder. De moeder heeft een nieuwe woning...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT