Uitspraak Nº 201404465/1/R3. Raad van State, 2015-11-04

Datum uitspraak:2015/11/04
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201404465/1/R3.

Datum uitspraak: 4 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Afdeling Bladel van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: ZLTO), gevestigd te Bladel,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], en [vennoot D], allen wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

3. [appellante sub 3], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Netersel, gemeente Bladel,

4. [appellante sub 4A], gevestigd te Bladel, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], wonend te [woonplaats], [vennoot B],

[vennoot C], beiden wonend te Bladel, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bola Holding B.V., gevestigd te Bladel, en [appellant sub 4B], wonend te Bladel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]),

5. [appellant sub 5], wonend te Hoogeloon, gemeente Bladel,

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Netersel, gemeente Bladel,

7. [appellante sub 7], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Netersel, gemeente Bladel,

8. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] (hierna: [appellanten sub 8]), beiden wonend te Bladel,

9. [appellant sub 9], wonend te Bladel,

10. [appellant sub 10], wonend te Netersel, gemeente Bladel,

11. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

12. de vereniging Vereniging Motorcrossclub de Kempen (hierna: De Kempen), gevestigd te Eersel,

13. [appellant sub 13] en anderen, allen wonend te Hapert, gemeente Bladel,

14. [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], beiden wonend te Hoogeloon, gemeente Bladel,

15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],

16. [appellant sub 16], wonend te Bladel,

17. [appellant sub 17], wonend te Hapert, gemeente Bladel,

18. [appellant sub 18], wonend te Hapert, gemeente Bladel,

19. [appellant sub 19], wonend te Bladel,

20. [appellante sub 20], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Netersel, gemeente Bladel, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 20]),

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2014, met kenmerk R2014.009y, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft een aantal belanghebbenden een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 en 30 juni 2015, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Nederlandse grootte-eenheden

2. ZLTO, [appellante sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellante sub 7] kunnen zich niet verenigen met artikel 4, leden 4.4.2 en 4.5.4, van de planregels. [appellant sub 5] voert hiertoe aan dat regels die zien op milieueffecten niet in een bestemmingsplan thuishoren. [appellante sub 2], [appellant sub 4] en [appellante sub 7] voeren aan dat diersoorten niet ruimtelijk relevant zijn. ZLTO en [appellante sub 3] voeren verder aan dat de aangevochten planregeling niet nodig is, omdat in de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014) reeds regels zijn opgenomen om buitensporige schaalvergroting van veehouderijen tegen te gaan. [appellante sub 2], [appellant sub 4] en [appellante sub 7] voeren voorts aan dat de planregeling strenger is dan de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012), Verordening 2014 en de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (hierna: BZV), zodat deze norm daarmee in strijd is. Ook doorkruist deze norm het provinciaal beleid over de transitie van veehouderijen naar een zorgvuldige veehouderij, zoals dat is neergelegd in de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014, de Verordening 2014 en de BZV.

Allen voeren voorts aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2014 in zaak nr. 201307521/1/R3, dat deze artikelleden ten onrechte zijn gebaseerd op de norm van 300 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: Nge). Deze norm is volgens hen niet ruimtelijk relevant, maar betreft een economische maatstaf voor de omvang van agrarische activiteiten waarmee gewas- en diersoorten in economisch opzicht met elkaar kunnen worden vergeleken. [appellante sub 2], [appellant sub 4] en [appellante sub 7] voeren aan dat de relatie die in het rapport Van Doorn tussen Nge en arbeidsbehoefte wordt gelegd onjuist is en dat de raad onjuiste conclusies aan dit rapport verbindt. Bovendien, zo stellen zij, is de Nge-norm in 2010 vervangen door de Standaard Opbrengst (hierna: SO) waarmee thans de omvang van agrarische bedrijven wordt vastgesteld. Voorts voeren allen aan dat de 300 Nge-norm onevenredig beperkend is voor agrariërs en dat deze in de weg staat aan duurzame ontwikkeling en maatwerk. [appellante sub 3] en [appellant sub 4] hebben hiertoe gewezen op hun plannen om de agrarische bedrijfsuitoefening duurzamer te maken, met welke plannen volgens hen geen rekening is gehouden. [appellant sub 4] voert tot slot aan dat de in artikel 4.5.4, onder b, van de planregels vervatte voorwaarden niet in een bestemmingsplan thuishoren.

2.1. De raad stelt dat het, teneinde de ruimtelijke uitstraling van veehouderijen en de daarbij behorende aspecten als gezondheid, geur, verkeer en fijnstof te kunnen beheersen, noodzakelijk is om de omvang van veehouderijen te begrenzen. De raad heeft een maximum willen stellen aan de omvang van veehouderijen door aansluiting te zoeken bij de 300 Nge-norm. Dit is volgens hem niet in strijd met provinciale regelgeving en evenmin met de ten tijde van het bestreden besluit in voorbereiding zijnde Verordening 2014. Bij de systematiek van de 300 Nge-norm is uitgegaan van een bedrijfsomvang van veehouderijen met redelijke economische perspectieven, waarbij de aard en schaal van de veehouderij acceptabel blijft voor de omgeving wat betreft ruimtelijke uitstraling en ruimtelijke effecten, aldus de raad. Bedrijven met een grotere omvang dan 300 Nge zijn niet nodig en niet gewenst.

2.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.4.2, van de planregels is het per agrarisch bedrijf niet toegestaan om per diersoort meer, dan wel andere soorten dieren te houden dan het maximum aantal toegestane dieren per diersoort, zoals per agrarisch bedrijf is aangegeven in de tabel opgenomen in bijlage 1 bij deze regels.

Ingevolge lid 4.5.4 is in afwijking van het bepaalde in lid 4.4.2 het wijzigen van de in de tabel in bijlage 1 per agrarisch bedrijf:

- genoemde diersoorten en/of

- het overschrijden van het maximaal aantal dieren per diersoort, mogelijk mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. aangetoond wordt dat deze wijziging of afwijking vanuit bedrijfskundig oogpunt noodzakelijk is;

b. de milieueffecten per onderdeel dan wel cumulatief gelijk zijn aan of lager zijn dan de maximale waarden die in de bestaande opzet per agrarisch bedrijf zijn berekend en waarop de aantallen en diersoorten zijn gebaseerd.

In bijlage 1 bij de planregels is het maximaal toegestane dieraantal per diersoort per agrarisch bedrijf weergegeven.

2.3. In paragraaf 3.3 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat hij de toegestane diersoorten en -aantallen van (met name intensieve) veehouderijen in het plangebied heeft willen beperken om de transformatie van veehouderijen tot duurzame veehouderijen te helpen bewerkstelligen en dat hij heeft beoogd - mede door middel van die transformatie - de gevolgen van veehouderijen voor de omgeving te reguleren. Ter zitting heeft de raad verduidelijkt dat hij zich zorgen maakt over de grootschaligheid van veehouderijen in het plangebied, gelet op het ruimtebeslag door deze veehouderijen en de mogelijke gevolgen voor milieu, volksgezondheid en natuur. Teneinde de grootschaligheid van deze veehouderijen te reguleren, heeft de raad per agrarisch bedrijf bepaald welke diersoorten en hoeveel dieren zijn toegestaan. Dit is neergelegd in bijlage 1 bij de planregels. In artikel 4, leden 4.4.2 en 4.5.4, van de planregels wordt verwezen naar deze bijlage, zodat deze in de planregels is verankerd. Uit de plantoelichting volgt verder dat de raad zich met het bepalen van het maximaal toegestane aantal dieren heeft gebaseerd op het rapport "Al het vlees duurzaam, de doorbraak naar een gezonde, veilige en gewaardeerde veehouderij in 2020" van september 2011 van de commissie Van Doorn, waarin aandacht is besteed aan de zogenoemde zorgvuldige veehouderij en waarin de 300 Nge-norm voorkomt. De raad heeft de maximale dieraantallen per diersoort in beginsel beperkt tot een equivalent van 300 Nge. Hiertoe is per agrarisch bedrijf aan de hand van een vergunning dan wel melding in het milieuspoor vastgesteld hoeveel dieren van welke diersoort aanwezig (mochten) zijn. Vervolgens is per agrarisch bedrijf per diersoort voormeld aantal dieren vermenigvuldigd met de diersoortspecifieke...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT