Uitspraak Nº 201501072/1/R2. Raad van State, 2017-02-01

Court
Docket Number201501072/1/R2
ECLIECLI:NL:RVS:2017:266

201501072/1/R2.

Datum uitspraak: 1 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Natuur- en Milieuvereniging Markkant, gevestigd te Breda, en andere (hierna: de vereniging en andere), (r.o. 7, 26 en 27)

2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, gevestigd te ’s-Hertogenbosch (hierna: het college), (r.o. 28)

3. [ appellanten sub 3], beiden wonend te Breda (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 3]), (r.o. 26)

4. [ appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], beiden wonend te Breda (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 4]), (r.o. 27)

5. [ appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Breda, (r.o. 27)

6. [ appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] en [appellante sub 6C], gevestigd te Breda (hierna: [appellante sub 6]), (r.o. 27)

7. [ appellant sub 7], wonend te Breda, (r.o. 29)

8. BW Beheer Bvba, gevestigd te Brecht (België), en Princeville Exploitatie B.V., gevestigd te Breda, (r.o. 30)

9. [ appellant sub 9] en anderen, allen wonend te Breda, (r.o. 31)

10. [ appellant sub 10], wonend te Breda, en anderen, (r.o. 36)

11. de vereniging IVN Mark en Donge, gevestigd te Breda, en anderen, (r.o. 42)

12. [ appellante sub 12], gevestigd te Breda, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Breda, (r.o. 32, 42, 46 en 47)

13. [ appellant sub 13], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda, (r.o. 48)

14. [ appellant sub 14], wonend te Breda, (r.o. 50)

15. [ appellant sub 15], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda, (r.o. 51)

16. [ appellante sub 16], wonend te Breda (r.o. 52)

17. [ appellante sub 17], (r.o. 26.2)

18. [ appellant sub 18A] en [appellant sub 18B], beiden wonend te Breda, (r.o. 39)

en

de raad van de gemeente Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 18 december 2014, kenmerk 42424, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 7], het college, de vereniging en anderen, [appellante sub 12], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 13], BW Beheer, [appellant sub 9] en anderen, [appellante sub 6C], [appellant sub 4], IVN Mark en Donge en anderen, [appellant sub 14], [appellanten sub 5], [appellant sub 3], [appellant sub 15] en [appellante sub 16] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 5 november 2015, kenmerk 43831, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" gewijzigd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vereniging en andere, [appellant sub 3], [appellanten sub 18], IVN Mark en Donge en [appellant sub 14] hun zienswijze over het besluit van 5 november 2015 naar voren gebracht.

Bij besluit van 3 maart 2016, kenmerk 44402, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" gewijzigd.

De vereniging en anderen hebben hun zienswijze over het besluit van 3 maart 2016 naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 en 14 juni 2016, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn ter zitting [appellante sub 17] van Alphen, [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. A.C. van Langen, advocaat te Waalwijk, Ruitersportcentrum Breda, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. S.M. Stavenuiter, advocaat te Amsterdam, Port of Breda B.V., vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, [belanghebbende C], bijgestaan door ing. J. van Dijk, en [belanghebbende D] als derde belanghebbenden gehoord. Daarnaast is een aantal appellanten ook als derde belanghebbenden gehoord.

Overwegingen

TOETSINGSKADER

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

DE BESLUITEN

2. Het plan "Buitengebied Zuid 2013" voorziet in een planologische regeling van het zuidelijke deel van het buitengebied van Breda.

3. Bij het besluit van 5 november 2015 heeft de raad het besluit van 18 december 2014 op onderdelen gewijzigd. Bij het besluit van 3 maart 2016 heeft de raad het besluit van 5 november 2015 gewijzigd voor zover het betreft het plandeel aan de [locatie 1] in Galder.

4. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Het besluit van 5 november 2015 is een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De beroepen hebben van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

Voorts is het besluit van 3 maart 2016 een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep van de vereniging en andere heeft van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

5. De Afdeling zal bij het beroep van de vereniging en andere tegen het plandeel aan de [locatie 1] het plan zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 3 maart 2016 als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, achtereenvolgens het plan zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 5 november 2015 en bij het besluit van 18 december 2014.

De Afdeling zal bij het beroep van de vereniging en andere voor het overige en de overige beroepen het plan zoals dat is vastgesteld bij besluit van 5 november 2015 als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, het plan zoals dat was vastgesteld bij besluit van 18 december 2014.

Bij het voorgaande is voorts het volgende van belang. Het besluit van 18 december 2014 heeft met ingang van 5 februari 2015 ter inzage gelegen. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft op 17 februari 2015 een reactieve aanwijzing gegeven. Nu de termijn voor het geven van een reactieve aanwijzing is geëindigd op 24 januari 2015, is deze reactieve aanwijzing buiten de daartoe gestelde termijn in artikel 3.8, vierde en zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gegeven. Het college van gedeputeerde staten kan in uitzonderlijke gevallen een reactieve aanwijzing geven na het verstrijken van deze termijn. Desgevraagd heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich voordoet. De reactieve aanwijzing is gelet hierop gedurende de beroepstermijn ten onrechte verwerkt in het plan zoals dat beschikbaar is gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Niet aannemelijk is echter dat belanghebbenden zijn benadeeld door deze gebrekkige beschikbaarstelling. Daarbij is van belang dat met het besluit van 5 november 2015 is beoogd tegemoet te komen aan de reactieve aanwijzing. Indien belanghebbenden van mening waren dat met dit besluit niet, onvoldoende of ten onrechte aan de reactieve aanwijzing tegemoet is gekomen, hadden zij beroep kunnen instellen tegen het besluit van 5 november 2015. Gelet op het voorgaande gaat de Afdeling indien zij het plan beoordeelt zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 18 december 2014, uit van dat oorspronkelijke plan, zonder dat dat werd geraakt door de gegeven reactieve aanwijzing.

DE BEROEPEN

Leeswijzer

6. De beroepen worden behandeld in de volgorde zoals vermeld op het voorblad. De hoofdnummers van de overwegingen komen overeen met de nummers zoals vermeld bij de appellanten op het voorblad.

Het beroep van de vereniging en andere

Intrekking

7. Ter zitting hebben de vereniging en andere hun beroepsgrond die ziet op artikel 26, lid 26.8.1, onder a, sub c, van de planregels, dat betrekking heeft op diepploegen, ingetrokken.

Plan-MER

8. Ten behoeve van het plan is het rapport "Buitengebied Zuid, Plan-milieueffectrapportage" van 25 april 2013 van onderzoeksbureau Oranjewoud (hierna: plan-MER) vastgesteld, waarvan een passende beoordeling deel uitmaakt. De commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: commissie m.e.r.) heeft op 5 september 2013 een advies uitgebracht over het plan-MER, waarin zij een aantal aanbevelingen doet.

9. Ter zitting hebben de vereniging en andere toegelicht dat hetgeen zij naar voren hebben gebracht over de terinzagelegging van de plan-MER geen beroepsgrond is, maar slechts een verzuchting. De Afdeling gaat hierop dan ook niet in.

10. Onder meer onder verwijzing naar het advies van de commissie m.e.r. voeren de vereniging en andere aan dat het plan-MER ondeugdelijk is en daarom ten onrechte aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. Het bestemmingsplan is volgens hen dan ook vastgesteld in strijd met artikel 7.7 van de Wet milieubeheer. Hiertoe voeren de vereniging en andere een aantal gronden aan die de Afdeling hierna zal bespreken. Daarbij staat voorop dat voor de raad geen verplichting bestaat om de aanbevelingen van de commissie m.e.r. over te nemen. Wel heeft de raad, in overeenstemming met artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, hetgeen hij over de aanbevelingen van de commissie m.e.r. heeft...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT