Uitspraak Nº 201508390/1/A3. Raad van State, 2018-06-06

ECLIECLI:NL:RVS:2018:1807
Date06 Junio 2018
Docket Number201508390/1/A3
CourtCouncil of State (Netherlands)

201508390/1/A3.

Datum uitspraak: 6 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 oktober 2015 in zaak nr. 15/2463 in het geding tussen:

[appellante]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2015 heeft de korpschef een verzoek van [appellante] om verwijdering van (persoonsgegevens in) het haar betreffende strafrechtelijk onderzoeksdossier […] afgewezen.

Bij uitspraak van 5 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde rechtstreekse beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en de korpschef hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. P.D.R. Tazelaar, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Afdeling heeft de korpschef verzocht nadere informatie te verschaffen. De korpschef heeft hier bij brief van 29 juni 2017 op geantwoord. [appellante] is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Dat heeft zij gedaan bij brief van 15 augustus 2017.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 14 december 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. P.D.R. Tazelaar en mr. J.W.L. van Limbeek, zijn verschenen.

Overwegingen

Relevante regelgeving

1. De voor deze zaak relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Nieuwe gronden

2. [appellante] heeft in haar nadere stuk van 29 november 2017 nieuwe beroepsgronden aangevoerd. De korpschef heeft op deze nieuwe gronden niet voldoende kunnen reageren. Mede gelet op het feit dat de nieuwe gronden kort voor de tweede zitting in het hoger beroep zijn ingediend, is het aanvoeren daarvan in strijd met een goede procesorde. De Afdeling zal het nadere stuk van 29 november 2017 alleen betrekken voor zover wel tijdig aangevoerde gronden nader worden ingevuld.

Inleiding

3. [appellante], die als brigadier werkzaam was bij de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie, is in 2013 aangemerkt als verdachte van overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De Landelijke Recherche van de Landelijke Eenheid heeft een strafrechtelijk onderzoek - genaamd ‘Discovery’ - uitgevoerd, waarvan een proces-verbaal van 31 juli 2014 met bijbehorende bijlagen is neergelegd in het dossier met nummer [...]. Bij het intern disciplinair onderzoek dat de korpschef vervolgens heeft ingesteld in verband met vermeend plichtsverzuim van [appellante], is gebruik gemaakt van het strafrechtelijk onderzoeksdossier. De korpschef heeft op 25 februari 2015, in zijn hoedanigheid van werkgever, [appellante] de disciplinaire straf van ontslag opgelegd en subsidiair ongeschiktheidsontslag verleend. Bij brief van 6 maart 2015 heeft [appellante] de korpschef op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) verzocht om (de persoonsgegevens in) het strafrechtelijk onderzoeksdossier te verwijderen en op grond van artikel 30 van de Wpg daarvan mededeling te doen aan de instanties aan wie hij de gegevens heeft verstrekt. De korpschef heeft dit verzoek bij besluit van 1 april 2015 afgewezen, omdat hij - anders dan [appellante] - meent dat de verwerking van de gegevens niet in strijd met een wettelijk voorschrift heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Hoger beroep

4. [appellante] kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen. Zij stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het strafrechtelijk onderzoeksdossier als een op de zaak betrekking hebbend stuk bij de korpschef op te vragen. Het niet opvragen van het dossier had ertoe moeten leiden dat de rechtbank van de feiten en omstandigheden had moeten uitgaan zoals door haar gesteld en niet die door de korpschef. De rechtbank had haar dan ook niet mogen tegenwerpen dat zij niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan. Deze handelwijze van de rechtbank moet onder meer in strijd worden geacht met artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aldus [appellante].

4.1. Vast staat dat de korpschef het strafrechtelijk onderzoeksdossier niet als een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan de rechtbank heeft gezonden. De rechtbank heeft het dossier evenmin op de voet van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb bij de korpschef opgevraagd, ondanks dat [appellante] op het ontbreken van het dossier heeft gewezen in haar brief aan de rechtbank van 1 juli 2015. Deze procesbeslissing van de rechtbank raakt aan het recht op gelijke proceskansen (equality of arms), dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt.

In beroep bij de rechtbank waren onder meer de vragen aan de orde of de gegevens in het strafrechtelijk onderzoeksdossier als politiegegevens zijn te kwalificeren en of voor de toegepaste opsporingsbevoegdheden de juiste machtigingen waren afgegeven. Naar het oordeel van de Afdeling kon de rechtbank zich over de genoemde vragen echter geen oordeel vormen, zonder dat zij inzage had in het strafrechtelijk onderzoeksdossier. De rechtbank heeft haar uitspraak ten onrechte zonder kennisneming van het strafdossier gedaan.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan verdere bespreking van hetgeen [appellante] overigens tegen de uitspraak van rechtbank heeft aangevoerd.

6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 1 april 2015 behandelen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

Omvang van het geding

7. Ter afbakening van de omvang van dit geding stelt de Afdeling vast dat in beroep slechts aan de orde kan zijn de weigering van de korpschef op grond van artikel 28 van de Wpg om (de persoonsgegevens in) het strafrechtelijk onderzoeksdossier, genaamd ‘Discovery’, betreffende [appellante] te verwijderen.

7.1. Voor zover [appellante] aanvoert dat met haar verzoek van 6 maart 2015 tevens is beoogd de haar betreffende politiegegevens uit de onderzoeksdossiers ‘[naam A]’ en ‘[naam B]’ te laten verwijderen, overweegt de Afdeling als volgt. De onderzoeksdossiers ‘[naam A]’ en ‘[naam B]’, een Nederlands onderscheidenlijk een Spaans strafdossier, hebben beiden betrekking op onderzoek naar mogelijke strafbare feiten van de broer van [appellante]. Deze dossiers maken geen deel uit van het strafrechtelijk onderzoeksdossier ‘Discovery’ dat betrekking heeft op [appellante] en ten aanzien waarvan zij om verwijdering van de haar betreffende politiegegevens heeft verzocht. Daargelaten derhalve of in deze dossiers politiegegevens betreffende [appellante] zijn opgenomen, en of deze zich onder de korpschef bevinden, maken deze dossiers geen deel uit van dit geding. Het vorenstaande laat onverlet dat het verwijderverzoek en daarmee dit geding wel betrekking heeft op politiegegevens betreffende [appellante] voor zover die vanuit de dossiers ‘[naam A]’ en ‘[naam B]’ in het dossier ‘Discovery’ zijn gevoegd.

7.2. Voor zover [appellante] zich richt tegen het besluit tot (interne) verstrekking van het strafrechtelijk onderzoeksdossier krachtens artikel 16 van de Wpg ten behoeve van het intern disciplinair onderzoek, valt dit eveneens buiten de omvang van dit geding. Immers, in haar brief van 6 maart 2015 heeft [appellante] de korpschef verzocht (de persoonsgegevens in) het strafrechtelijk onderzoeksdossier op grond van artikel 28 van de Wpg te verwijderen. Voorts heeft [appellante] de korpschef in de voormelde brief verzocht op grond van artikel 30 van de Wpg van die verwijdering mededeling te doen aan de personen en instanties aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt. Gelet op de reikwijdte van het verzoek van [appellante], alsmede van het besluit op dat verzoek van de korpschef dat geen beslissing omtrent de interne verstrekking van het strafrechtelijk onderzoeksdossier behelst, kunnen de beroepsgronden voor zover gericht tegen een beslissing tot verstrekking daarvan niet aan de orde komen.

Evenmin kan de Afdeling vanwege voormelde reikwijdte van het verzoek en het bestreden besluit toekomen aan de vraag of de korpschef ten onrechte niet tot verwijdering van gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) en/of de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) is overgegaan.

Hetzelfde geldt voor zover [appellante] aanvoert dat haar verzoek betrekking heeft op verwijdering van (de persoonsgegevens in) het onderzoeksdossier ten behoeve van het intern disciplinair onderzoek. [appellante] heeft de korpschef overigens bij brief van 5 april 2016 verzocht het disciplinair onderzoek met nummer ZK2014-041 te verwijderen. Dat verzoek is aan de orde in de samenhangende zaak, waarover de Afdeling heden, ECLI:NL:RVS:2018:1808, uitspraak doet.

8. [appellante] heeft de gronden van haar beroep zeer uitvoerig uiteengezet. Uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb vloeit echter niet voort dat de Afdeling in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle bezwaren heeft bezien, zal zij zich in het hiernavolgende beperken tot de kern van de door [appellante] naar voren gebrachte gronden.

Niet horen voorafgaand aan afwijzend besluit

9. [appellante] kan zich...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT
4 temas prácticos
  • Uitspraak Nº 201903166/1/A3. Raad van State, 2020-03-25
    • Nederland
    • March 25, 2020
    ...betrekking heeft op de openbare veiligheid. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (onder meer in de uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1807) is de Privacyrichtlijn, gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en eerste gedachtestreepje, van die richtlijn, daarom niet van toepassing ......
  • Uitspraak Nº 17/6721 AW. Centrale Raad van Beroep, 2019-07-04
    • Nederland
    • Centrale Raad van Beroep (Nederland)
    • July 4, 2019
    ...kan slagen. Daarbij wordt mede verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1807. Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat een deel van het bewijs in de strafrechtelijke fase onrechtmatig is verkregen en mede......
  • Uitspraak Nº 201608415/1/A3. Raad van State, 2018-06-06
    • Nederland
    • Council of State (Netherlands)
    • June 6, 2018
    ...verder op gewezen dat de gemachtigde van [appellante] bij de Afdeling - in het kader van het hoger beroep waarover de Afdeling heden, ECLI:NL:RVS:2018:1807, uitspraak doet - het complete dossier van het strafrechtelijk onderzoek heeft ingezien. 6.2. Artikel 25, eerste lid, van de Wpg luidt:......
  • Uitspraak Nº 201807676/1/A3. Raad van State, 2020-03-25
    • Nederland
    • March 25, 2020
    ...in) het strafrechtelijk onderzoeksdossier te verwijderen, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1807 (hierna: de 2.1. Bij brief van 25 november 2017 heeft [appellante] het college verzocht om haar (strafvorderlijke) gegevens te verstrekken. ......
4 sentencias
  • Uitspraak Nº 201903166/1/A3. Raad van State, 2020-03-25
    • Nederland
    • March 25, 2020
    ...betrekking heeft op de openbare veiligheid. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (onder meer in de uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1807) is de Privacyrichtlijn, gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en eerste gedachtestreepje, van die richtlijn, daarom niet van toepassing ......
  • Uitspraak Nº 17/6721 AW. Centrale Raad van Beroep, 2019-07-04
    • Nederland
    • Centrale Raad van Beroep (Nederland)
    • July 4, 2019
    ...kan slagen. Daarbij wordt mede verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1807. Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat een deel van het bewijs in de strafrechtelijke fase onrechtmatig is verkregen en mede......
  • Uitspraak Nº 201608415/1/A3. Raad van State, 2018-06-06
    • Nederland
    • Council of State (Netherlands)
    • June 6, 2018
    ...verder op gewezen dat de gemachtigde van [appellante] bij de Afdeling - in het kader van het hoger beroep waarover de Afdeling heden, ECLI:NL:RVS:2018:1807, uitspraak doet - het complete dossier van het strafrechtelijk onderzoek heeft ingezien. 6.2. Artikel 25, eerste lid, van de Wpg luidt:......
  • Uitspraak Nº 201807676/1/A3. Raad van State, 2020-03-25
    • Nederland
    • March 25, 2020
    ...in) het strafrechtelijk onderzoeksdossier te verwijderen, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1807 (hierna: de 2.1. Bij brief van 25 november 2017 heeft [appellante] het college verzocht om haar (strafvorderlijke) gegevens te verstrekken. ......

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT