Uitspraak Nº 201600404/1/R3. Raad van State, 2017-01-25

Datum uitspraak:25 januari 2017
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201600404/1/R3.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Stolwijk, gemeente Krimpenerwaard (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3], wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard,

4. [appellante sub 4], gevestigd te Vlist, gemeente Krimpenerwaard,

5. [appellante sub 5], gevestigd te Vlist, gemeente Krimpenerwaard,

6. [appellante sub 6], gevestigd te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard,

7. [appellant sub 7], wonend te Stolwijk, gemeente Krimpenerwaard,

8. [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B], beiden wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 8]),

9. [appellant sub 9], wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard,

en

de raad van de gemeente Krimpenerwaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist) 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2016, waar partijen zijn verschenen, al dan niet bijgestaan door een gemachtigde, of zich hebben doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord.

Overwegingen

Het bestemmingsplan

1. Het bestemmingsplan betreft een herziening van het op 26 oktober 2010 door de raad van de voormalige gemeente Vlist vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2010". De herziening is bedoeld om een aantal onduidelijkheden uit het vorige plan weg te nemen en geconstateerde omissies te herstellen. Verder is sinds de vaststelling van het vorige plan nieuw beleid ontwikkeld dat de raad zijn neerslag wil laten krijgen in een planologisch instrument. Voorts beoogt de raad met deze herziening de door de Afdeling in haar uitspraak van 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6957, geconstateerde gebreken in het vorige plan te herstellen. De raad heeft bij het vaststellen van de herziening daarnaast het uitgangspunt gehanteerd dat conserverend wordt bestemd.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] te Haastrecht. Hij kan zich niet met het plan verenigen om de reden dat zijn woning niet als zodanig is bestemd.

Ontvankelijkheid

4. Aangezien het beroepschrift van [appellant sub 1] na afloop van de beroepstermijn bij de Raad van State is binnengekomen, ziet de Afdeling aanleiding eerst te beoordelen of [appellant sub 1] niettemin in zijn beroep kan worden ontvangen.

4.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Het vastgestelde plan is met ingang van 20 januari 2016 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Derhalve eindigde de termijn waarbinnen een beroepschrift kon worden ingediend, gelet op artikel 6:8, vierde lid, van de Awb, op 2 maart 2016.

4.2. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Het door [appellant sub 1] ingediende beroepschrift is gedateerd op 1 maart 2016. Het beroepschrift is op 8 maart 2016 bij de Raad van State binnengekomen. De poststempel op de envelop waarin het beroepschrift is verzonden, heeft als datum 7 maart 2016.

4.3. [appellant sub 1] stelt dat hij het beroepschrift op 1 maart 2016, derhalve voor het einde van de beroepstermijn, in een brievenbus van PostNL heeft gedeponeerd. Dat het poststuk eerst op 8 maart 2016 door de Raad van State is ontvangen, hoort volgens hem niet voor zijn risico te komen.

4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1552) vindt bij een via PostNL verzonden poststuk de in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb bedoelde terpostbezorging plaats op het moment waarop een poststuk in een brievenbus van PostNL wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging van PostNL wordt aangeboden.

De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door PostNL is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van PostNL veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door PostNL is afgestempeld. Bevat het stuk een poststempel van PostNL met een datum gelegen na de laatste dag van de termijn, dan is het aan belanghebbende aannemelijk te maken dat het geschrift op een eerdere datum dan het poststempel aangeeft en wel uiterlijk op de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd.

4.5. [appellant sub 1] heeft geen bewijs aangedragen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zijn op 1 maart 2016 gedateerde beroepschrift ook op 1 maart 2016 in een brievenbus van PostNL heeft gedeponeerd. Gelet hierop heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift op 1 maart 2016 ter post is bezorgd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het beroepschrift op 7 maart 2016 ter post is bezorgd en derhalve niet tijdig is ingediend. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant sub 1] in verzuim is geweest ten aanzien van zijn na afloop van de termijn ingediende beroepschrift.

5. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 2]

6. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] te Stolwijk. [appellant sub 2] kan zich niet met het plan verenigen voor zover daarin een op zijn perceel aanwezige schuur niet als zodanig is bestemd.

Ontvankelijkheid

7. De raad betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is, nu [appellant sub 2] geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

7.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 3 juni 2015 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 14 juli 2015.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

7.2. [appellant sub 2] stelt dat hem niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. Hiertoe voert hij het volgende aan. Op 12 november 2014 heeft hij een vooraankondiging van handhaving ontvangen waarin staat dat voormelde schuur illegaal is gebouwd en dat deze gesloopt dient te worden. Op 25 november 2014 heeft [appellant sub 2] telefonisch laten weten bezwaar te willen maken tegen deze sloopverplichting. In dat gesprek is door een ambtenaar van de gemeente aan hem medegedeeld dat bezwaar nog niet mogelijk is omdat nog geen besluit is genomen. [appellant sub 2] heeft op 12 mei 2015 aan de gemeente verzocht een besluit te nemen over de schuur, opdat hij weet waar hij aan toe is. Eerst op 8 juli 2015 is door de gemeente gereageerd op de brief van 12 mei 2015. In deze brief is aangegeven dat legalisatie niet mogelijk is en dat het voornemen blijft bestaan om handhavend op te treden. Op 13 juli 2015 heeft [appellant sub 2] vervolgens telefonisch een afspraak gemaakt om de zaak te bespreken. Dat overleg heeft op 17 augustus 2015 plaatsgevonden. Doordat hij steeds in overleg was met de gemeente over de mogelijkheid om de schuur te behouden, verkeerde hij in de veronderstelling dat het naar voren brengen van een zienswijze niet nodig was en dat zijn wensen ten aanzien van de schuur bij de gemeente bekend waren en zouden worden betrokken in de planprocedure, aldus [appellant sub 2]. Dat de handhavingsprocedure en de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT