Uitspraak Nº 201601536/1/V3 en 201601554/1/V3. Raad van State, 2018-01-31

Court
Docket Number201601536/1/V3 en 201601554/1/V3
ECLIECLI:NL:RVS:2018:347

201601536/1/V3 en 201601554/1/V3.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Verwijzingsuitspraak op de hoger beroepen van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de hieronder genoemde uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 februari 2016 in de gedingen tussen

naam vreemdeling Awb-nummer

[vreemdeling A] 15/2131

(hierna: vreemdeling A)

[vreemdeling B] en [referent P] 15/1215

(hierna: vreemdeling B en referent P)

en

de staatssecretaris

Procesverloop

In zaak nr. 201601536/1/V3 (vreemdeling A)

Bij besluit van 28 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [de referent] om vreemdeling A een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, ingewilligd.

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door vreemdeling A gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door vreemdeling A ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door vreemdeling A gemaakte bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2014 gegrond verklaard en dat besluit herroepen, voor zover daarbij aan hem de verplichting is opgelegd mee te werken aan het afnemen van biometrische gegevens, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en de staatssecretaris opgedragen de in de vreemdelingenadministratie opgenomen biometrische gegevens van vreemdeling A binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak te vernietigen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Vreemdeling A heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris en vreemdeling A hebben desgevraagd een nader stuk ingediend.

In zaak nr. 201601554/1/V3 (vreemdeling B en referent P)

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent P om vreemdeling B een mvv te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door vreemdeling B en referent P gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag alsnog ingewilligd.

De rechtbank heeft het daartegen door vreemdeling B en referent P ingestelde beroep, gericht tegen de aan vreemdeling B opgelegde verplichting mee te werken aan het afnemen van biometrische gegevens, als bezwaar doorgezonden aan de staatssecretaris.

Bij besluit van 23 december 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door vreemdeling B en referent P ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door vreemdeling B en referent P gemaakte bezwaar tegen het besluit van 4 april 2014 gegrond verklaard en dat besluit herroepen, voor zover daarbij aan vreemdeling B de verplichting is opgelegd mee te werken aan het afnemen van biometrische gegevens, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en de staatssecretaris opgedragen de in de vreemdelingenadministratie opgenomen biometrische gegevens van vreemdeling B binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak te vernietigen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Vreemdeling B heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris en vreemdeling B hebben desgevraagd een nader stuk ingediend.

In beide zaken

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 18 januari 2017, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D Streef en mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en vreemdeling A, vreemdeling B en referent P, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Bij brief van 21 december 2017 heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht is heropend. Daarbij is medegedeeld dat de Afdeling voornemens is het Hof van Justitie (hierna: het Hof) te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in deze zaken voor te leggen vragen. De tekst van deze vragen was in concept bijgevoegd.

Bij brieven van 15 januari 2018 en 18 januari 2018 hebben de staatssecretaris onderscheidenlijk vreemdeling A, vreemdeling B en referent P hierop gereageerd.

INHOUDSOPGAVE

A. Inleiding

B. Overzicht van zaak nr. 201601536/1/V3

Feiten

Besluiten

C. Overzicht van zaak nr. 201601554/1/V3

Feiten

Besluiten

D. Overzicht in beide zaken

Aangevallen uitspraken

Grieven

E. Toepasselijk wettelijk kader

Recht van de Europese Unie

Nationaal recht

F. Het Nederlandse stelsel

Biometrische gegevens onder de Vreemdelingenwet 1965

(hierna: de Vw 1965)

Biometrische gegevens onder de Vreemdelingenwet 2000

(hierna: de Vw 2000)

Aanvraag tot het verlenen van een mvv onder de Vw 2000

G. Beoordeling grieven in de hoofdgedingen

Grief 1

Grief 2

Aanleiding eerste prejudiciële vraag

Eerste prejudiciële vraag

Aanleiding tweede prejudiciële vraag

Tweede prejudiciële vraag

Aanleiding derde prejudiciële vraag

Derde prejudiciële vraag

H. Conclusie

Beslissing

Bijlage (in de Nederlandse taal)

Het recht van de Europese Unie

Bijlage (in de Franse taal)

Le droit de l'Union Européenne

Overwegingen

A. Inleiding

1. In deze verwijzingsuitspraak is de vraag aan de orde of het verplicht verstrekken van persoonsgegevens in de vorm van een digitale gezichtsopname en tien vingerafdrukken (hierna: biometrische gegevens), voor zover dat Turkse onderdanen betreft, en het verwerken van deze gegevens in een vreemdelingenadministratie in strijd is met artikel 7 van Besluit nr. 2/76 en artikel 13 van Besluit nr. 1/80.

Deze vraag is gerezen in het kader van voor Turkse onderdanen ingediende aanvragen tot het verlenen van een mvv. Bij of krachtens de Vw 2000 is elke onderdaan van een derde land, waaronder dus ook Turkse onderdanen, bij een zodanige aanvraag verplicht om mee te werken aan het afnemen van biometrische gegevens. Het afnemen van deze gegevens heeft automatisch tot gevolg dat deze worden verwerkt in een bestand, in de zin van artikel 2, aanhef en onder a en b, van Richtlijn 95/46/EG (hierna: de Privacyrichtlijn; PB 1995, L 281).

Voorts is bij de Turkse onderdanen de vraag aan de orde of het aan derden beschikbaar stellen van deze biometrische gegevens met het oog op rechtshandhaving op strafrechtelijk gebied kan worden opgevat als een beperking in de zin van artikel 7 van Besluit nr. 2/76 en artikel 13 van Besluit nr. 1/80. Indien dat het geval is, is vervolgens de vraag aan de orde of het aan derden beschikbaar stellen van deze gegevens met het oog op rechtshandhaving op strafrechtelijk gebied noodzakelijk is.

B. Overzicht van zaak nr. 201601536/1/V3

Feiten

2. Vreemdeling A is op 1 januari 1966 geboren en heeft de Turkse nationaliteit. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft bij besluit van 4 januari 2013 aan de referent voor de arbeid van vreemdeling A als internationaal chauffeur een tewerkstellingsvergunning met een geldigheidsduur van 25 september 2012 tot 25 september 2015 verleend. Vreemdeling A heeft op 1 november 2013 een arbeidsovereenkomst met de referent gesloten om met ingang van 1 december 2013 voor de duur van vijf jaar arbeid als internationaal chauffeur te verrichten.

Besluiten

2.1. De referent heeft op 15 november 2013 een aanvraag ingediend om vreemdeling A een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst te verlenen. Bij besluit van 28 maart 2014 heeft de staatssecretaris deze aanvraag ingewilligd. In dat besluit is, voor zover thans van belang, vermeld dat de mvv alleen wordt verleend als vreemdeling A zijn biometrische gegevens laat afnemen. Vreemdeling A heeft meegewerkt aan het afnemen van deze gegevens. Op 25 april 2015 heeft hij bezwaar gemaakt tegen het afnemen en verwerken van zijn biometrische gegevens. Vreemdeling A is met een mvv Nederland binnengekomen en vervolgens in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

2.2. Naar aanleiding van hetgeen vreemdeling A in bezwaar heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris zich in het besluit op bezwaar van 6 januari 2015 op hetzelfde standpunt gesteld als in het besluit op bezwaar van 23 december 2014 in zaak nr. 201601554/1/V3. Dat standpunt wordt onder 3.2. weergegeven.

C. Overzicht van zaak nr. 201601554/1/V3

Feiten

3. Vreemdeling B is op [..-..-....] geboren en heeft de Turkse nationaliteit. Hij is op [..-..-....] te [plaats] in Turkije in het huwelijk getreden met referent P, geboren op [..-..-....], die zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit heeft.

Besluiten

3.1. Referent P heeft op 17 februari 2014 een aanvraag ingediend om vreemdeling B een mvv voor gezinshereniging te verlenen. Bij besluit van 28 maart 2014 heeft de staatssecretaris haar aanvraag afgewezen, omdat zij niet heeft aangetoond te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Bij besluit van 4 april 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling B en referent P gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag alsnog ingewilligd. Vreemdeling B heeft meegewerkt aan het afnemen van zijn biometrische gegevens. Vreemdeling B is met een mvv Nederland binnengekomen en op 18 april 2014 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Op 2 mei 2014 hebben hij en referent P bezwaar gemaakt tegen het afnemen en verwerken van deze gegevens.

3.2. Naar aanleiding van hetgeen vreemdeling B en referent P in bezwaar hebben aangevoerd, heeft de staatssecretaris zich in het besluit op bezwaar van 23 december 2014, samengevat, op het standpunt gesteld dat het afnemen en verwerken van biometrische gegevens niet in strijd is met artikel 7 van Besluit nr. 2/76 en artikel 13 van Besluit nr. 1/80.

Volgens de staatssecretaris is het afnemen en verwerken van biometrische...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT
2 temas prácticos
  • Uitspraak Nº 201601536/3/V3 en 201601554/3/V3. Raad van State, 2020-04-29
    • Nederland
    • 29 april 2020
    ...15/2131 [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] 15/1215 en de staatssecretaris Procesverloop Bij verwijzingsuitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:347, heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht om in een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de gestelde vragen over de uit......
  • Uitspraak Nº 201601537/1/V3. Raad van State, 2020-05-06
    • Nederland
    • 6 mei 2020
    ...De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Naar aanleiding van de bij uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:347, door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van deze zaak wor......
2 sentencias
  • Uitspraak Nº 201601536/3/V3 en 201601554/3/V3. Raad van State, 2020-04-29
    • Nederland
    • 29 april 2020
    ...15/2131 [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] 15/1215 en de staatssecretaris Procesverloop Bij verwijzingsuitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:347, heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht om in een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de gestelde vragen over de uit......
  • Uitspraak Nº 201601537/1/V3. Raad van State, 2020-05-06
    • Nederland
    • 6 mei 2020
    ...De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Naar aanleiding van de bij uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:347, door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van deze zaak wor......