Uitspraak Nº 201608415/1/A3. Raad van State, 2018-06-06

ECLIECLI:NL:RVS:2018:1808
Date06 Junio 2018
Docket Number201608415/1/A3
CourtCouncil of State (Netherlands)

201608415/1/A3.

Datum uitspraak: 6 juni 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 september 2016 in zaak nr. 16/2335 in het geding tussen:

[appellante]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2016 heeft de korpschef de verzoeken van [appellante] als bedoeld in de artikelen 25 en 28 van de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg), afgewezen.

Bij uitspraak van 20 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde rechtstreekse beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.A.J.T. Hoogendoorn, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. P.D.R. Tazelaar en J.W.L. van Limbeek, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante], die als brigadier werkzaam was bij de Landelijke Eenheid van de Politie, is in 2013 aangemerkt als verdachte van overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De Landelijke Recherche van de Landelijke Eenheid heeft een strafrechtelijk onderzoek - genaamd ‘[...]’ - uitgevoerd, waarvan een proces-verbaal van 31 juli 2014 met bijbehorende bijlagen is neergelegd in het dossier met nummer [...]. Bij het intern disciplinair onderzoek dat vervolgens is ingesteld in verband met vermeend plichtsverzuim van [appellante], is gebruik gemaakt van het strafrechtelijke onderzoeksdossier. De korpschef heeft op 25 februari 2015, in zijn hoedanigheid als werkgever, [appellante] de disciplinaire straf van ontslag opgelegd en subsidiair ongeschiktheidsontslag verleend.

Bij brief van 5 april 2015 heeft [appellante] op grond van artikel 25 van de Wpg verzocht om inzage - voor zover in deze hoger beroepsprocedure nog van belang - in het strafrechtelijk onderzoeksdossier [...] en heeft zij op grond van artikel 28 van de Wpg verzocht het disciplinair onderzoek met nummer [...] te verwijderen.

2. De korpschef heeft de verzoeken van [appellante] bij besluit van 2 mei 2016 afgewezen. Aangezien [appellante] in de verschillende juridische trajecten inzage heeft gehad in het strafdossier en de meest relevante stukken uit dat dossier in kopie aan [appellante] zijn verstrekt, ziet hij geen aanleiding om haar ingevolge artikel 25 van de Wpg opnieuw inzage te geven in het strafrechtelijk onderzoek. Daarbij heeft de korpschef vermeld dat hij bereid is dat standpunt te heroverwegen indien [appellante] gemotiveerd aangeeft wat de reden is dat inzage opnieuw wenselijk zou zijn. Het verwijderen van het disciplinair onderzoek op grond van artikel 28 van de Wpg heeft de korpschef geweigerd, omdat het volgens hem niet als politiegegeven te kwalificeren is. Het disciplinair onderzoek wordt niet onder de Wpg, maar onder de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) verwerkt, aldus de korpschef.

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de korpschef het verzoek om inzage in het strafrechtelijk onderzoek en de stukken betreffende de verstrekking daarvan heeft mogen afwijzen. De rechtbank volgt [appellante] niet in het standpunt dat haar eerder geen inzage is gegeven in het volledige strafdossier. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat er stukken voor [appellante] zijn achtergehouden. In dat verband ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de toelichting van de korpschef dat - voor zover in de dossiers ‘[...]’ en ‘[...]’ gegevens relevant waren voor het strafrechtelijk onderzoek naar [appellante] - er gegevens zijn overgeheveld naar het dossier ‘[...]’. Over de toelichting van de korpschef over de administratieve duidingen in het strafrechtelijk onderzoek heeft de rechtbank evenmin aanleiding gezien te twijfelen, zodat volgens haar moet worden geoordeeld dat er in het strafrechtelijk dossier geen stukken zijn die [appellante] niet heeft kunnen inzien.

Hoger beroep

4. [appellante] kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen. Zij voert als formele grond aan dat de rechtbank ten onrechte niet alle op het strafrechtelijk onderzoeksdossier betrekking hebbende stukken, daaronder eveneens begrepen de dossiers ‘[...]’ en ‘[...]’, bij de korpschef heeft opgevraagd. Zij acht dit in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft voorts ten onrechte, nu zij niet over het strafrechtelijk onderzoeksdossier beschikte, vastgesteld dat niet is gebleken dat er stukken voor [appellante] zijn achtergehouden. Evenmin had de rechtbank vanwege het ontbreken van het strafrechtelijk onderzoeksdossier ertoe kunnen beslissen dat [appellante] geen inzage diende te krijgen in de dossiers ‘[...]’ en ‘[...]’. In haar nadere stuk betoogt zij dat inzage in het strafrechtelijk onderzoek dient te worden gegeven door middel van het verstrekken van een afschrift hiervan. Het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT
1 temas prácticos
  • Uitspraak Nº 201508390/1/A3. Raad van State, 2018-06-06
    • Nederland
    • Council of State (Netherlands)
    • June 6, 2018
    ...onderzoek met nummer ZK2014-041 te verwijderen. Dat verzoek is aan de orde in de samenhangende zaak, waarover de Afdeling heden, ECLI:NL:RVS:2018:1808, uitspraak doet. 8. [appellante] heeft de gronden van haar beroep zeer uitvoerig uiteengezet. Uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb vloei......
1 sentencias
  • Uitspraak Nº 201508390/1/A3. Raad van State, 2018-06-06
    • Nederland
    • Council of State (Netherlands)
    • June 6, 2018
    ...onderzoek met nummer ZK2014-041 te verwijderen. Dat verzoek is aan de orde in de samenhangende zaak, waarover de Afdeling heden, ECLI:NL:RVS:2018:1808, uitspraak doet. 8. [appellante] heeft de gronden van haar beroep zeer uitvoerig uiteengezet. Uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb vloei......

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT