Uitspraak Nº 201700402/1/A3. Raad van State, 2017-10-04

Datum uitspraak: 4 oktober 2017
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201700402/1/A3.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Rotterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2016 in zaak nr. 15/6528 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2015 heeft het college aan [appellant] een bestuurlijke boete van € 4.000,00 opgelegd wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte aan de [locatie] te Rotterdam in onzelfstandige woonruimte.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het boetebedrag verlaagd naar € 2.000,00 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Kuijer, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, zijn verschenen.

Overwegingen

Juridisch kader

1.    De relevante bepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam 2014 (hierna: de Huisvestingsverordening), zoals deze luidden ten tijde van belang, zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie] te Rotterdam. Hij heeft deze woning vanaf maart 2014 verhuurd aan [persoon]. Op 12 november 2014 heeft een inspectie van de woning plaatsgevonden. Uit het van deze inspectie opgemaakte rapport van bevindingen van 13 november 2014 volgt dat de woning bewoond werd door 10 personen die niet tot één huishouden behoorden. Daarmee is de woonruimte omgezet van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte. Omdat voor deze omzetting geen vergunning is verleend, heeft het college in zijn besluit van 12 februari 2015 een boete van € 4.000,00 aan [appellant] opgelegd. In zijn besluit op bezwaar van 15 september 2015 heeft het college de hoogte van de boete verlaagd tot een bedrag van € 2.000,00, omdat [appellant] geen bedrijfsmatige exploitant is.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om een bestuurlijke boete aan [appellant] op te leggen. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellant] als verhuurder van de woning als overtreder kan worden aangemerkt. Een woningeigenaar die een woning verhuurt is tot op zekere hoogte verantwoordelijk voor het rechtmatig gebruik van de woning. Van hem kan worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] niet aan zijn zorgplicht als eigenaar van de woning voldaan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellant] de woning slechts enkele malen heeft bezocht in verband met een lekkage en dat [persoon] de huur contant betaalde, hetgeen een aanwijzing was dat de woning wellicht niet op de juiste wijze werd gebruikt. Ook heeft zij in aanmerking genomen dat er aanleiding bestond voor extra controle omdat de huur een aantal malen niet was betaald. Onder deze omstandigheden is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat [appellant] niet kon weten dat de woning was omgezet en is zij van oordeel dat [appellant] verantwoordelijk kon worden gehouden voor het onrechtmatige gebruik van de woning.

    Over de hoogte van de aan [appellant] opgelegde boete heeft de rechtbank overwogen dat deze volgt uit artikel 4.8 en tabel 2 van de Huisvestingsverordening. De door [appellant] naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden zijn volgens de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die tot matiging van de boete moeten leiden.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd was tot oplegging van een boete. Daartoe voert hij aan dat het college geen enkele poging heeft ondernomen om de heer [persoon], degene die de omzetting heeft uitgevoerd, voor de overtreding aan te spreken. Het college heeft volgens hem te kennen gegeven dat het zijn beleid is om bij illegale omzetting de eigenaar van de woning aan te schrijven in plaats van de daadwerkelijke overtreder. Dit beleid is onrechtvaardig en bovendien in strijd met het beginsel dat degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht als overtreder wordt aangemerkt. [appellant] voert aan dat hij bovendien niet als overtreder had kunnen worden aangemerkt, omdat hij niet wist en niet kon weten dat de woning door [persoon] onrechtmatig werd gebruikt...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT