Uitspraak Nº 201701423/1/V2. Raad van State, 2018-11-21

Datum uitspraak:21 november 2018
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201701423/1/V2.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [de moeder], mede voor haar minderjarige kinderen, [meerderjarige zoon] en [meerderjarige dochter], (hierna: de vreemdelingen)

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 januari 2017 in zaken nrs. 16/732, 16/733 en 16/735 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 17 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en geweigerd om hun ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 18 januari 2017 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.

De staatssecretaris en de vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend.

De UNHCR heeft stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met twee vergelijkbare zaken, ECLI:NL:RVS:2018:3736 en ECLI:NL:RVS:2018:3737, ter zitting behandeld op 8 maart 2018. De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.C. Pool, advocaat te Arnhem, de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, en de UNHCR, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De Afdeling beantwoordt in deze uitspraak de vraag of vrouwen die naar Nederland zijn gekomen en een westerse levensstijl hebben aangenomen, kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn (hierna: de richtlijn). Die vrouwen hebben in Nederland een levenswijze ontwikkeld die afwijkt van de normen die voor hen in het land van herkomst gelden. Zij dragen bijvoorbeeld geen boerka of andere zeer bedekkende kleding, gaan zonder mannelijke begeleiding over straat, maken zelfstandig en onafhankelijk van een man keuzes en volgen onderwijs. Deze uitspraak gaat over de vraag naar de bescherming van het vluchtelingenrecht voor vrouwen die pas na vertrek uit hun land van herkomst vluchteling stellen te zijn geworden, de zogeheten 'refugiées sur place'.

1.1.    De vraag of deze vrouwen door het vluchtelingenrecht worden beschermd is door verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag verschillend beantwoord. Met deze uitspraak brengt de Afdeling op dit gebied rechtseenheid. Deze uitspraak heeft uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin en door de fundamentele aard van de rechtsvragen die worden behandeld een meer algemene, zaaksoverstijgende strekking. Daarom geeft de Afdeling in deze uitspraak ook een uitgebreide en algemeen geformuleerde motivering. Die motivering is ook van belang voor lopende en toekomstige zaken van andere vrouwen die stellen dat zij voor een asielvergunning in aanmerking komen wegens hun westerse levensstijl.

1.2.    Met het oog op de zaaksoverstijgende strekking van deze uitspraak en in lijn met artikel 29 van de Procedurerichtlijn heeft de Afdeling ook de UNHCR in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de procedure en gevraagd een standpunt in te nemen over de vraag naar de asielrechtelijke bescherming van vrouwen met een westerse levensstijl. De Afdeling heeft ook de voor het eerst in hoger beroep door partijen en de UNHCR overgelegde stukken betrokken bij de beoordeling van de hoger beroepen.

1.3.    De toepasselijke regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Relevante feiten

2.    De vreemdelingen vormen een gezin en komen uit de stad Herat, Afghanistan. Aan de moeder en de meerderjarige dochter (hierna: de vreemdeling), is met ingang van 28 oktober 2013 een verblijfsvergunning asiel verleend, omdat zij werden aangemerkt als alleenstaande vrouwen. Verder is aan de minderjarige zoons en de meerderjarige zoon een van de moeder afhankelijke verblijfsvergunning asiel verleend. Op 10 april 2015 heeft de echtgenoot respectievelijk vader van de vreemdelingen een asielaanvraag in Nederland ingediend. Daarom kunnen de moeder en de vreemdeling volgens de staatssecretaris niet meer worden aangemerkt als alleenstaande vrouwen en heeft hij de verblijfsvergunningen van de moeder, haar zoons en de vreemdeling, ingetrokken. De aanvraag van de echtgenoot en vader heeft de staatssecretaris afgewezen. In die procedure doet de Afdeling vandaag ook uitspraak in zaak ECLI:NL:RVS:2018:3745.

2.1.    In deze uitspraak staan de vreemdeling en de intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel centraal. De uitspraak heeft echter ook gevolgen voor de andere leden van het gezin. In de besluiten van 17 december 2015 heeft de staatssecretaris zich namelijk op het standpunt gesteld dat het recht op gezinsleven van de gezinsleden niet is geschonden, omdat geen van hen in Nederland mag blijven. De aanspraken op een verblijfsvergunning van de moeder en de zoons hangen dan ook mede af van de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling. In deze uitspraak zal alleen uitdrukkelijk worden ingegaan op wat de vreemdeling in de procedure over de intrekking van haar asielvergunning heeft aangevoerd. Zij is immers degene die heeft aangevoerd dat zij door haar westerse levensstijl niet naar Afghanistan kan terugkeren. Omdat de echtgenoot en vader pas later naar Nederland is gekomen en hij een andere procedure volgt, wordt zijn zaak in een andere uitspraak van de Afdeling behandeld.

2.2.    De staatssecretaris heeft de asielvergunning van de vreemdeling ingetrokken, omdat zij volgens de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt in Afghanistan een gegronde vrees te hebben voor vervolging of een reëel risico te lopen op een onmenselijke behandeling. De vreemdeling moet zich in Afghanistan gewoon weer aanpassen, net zoals zij zich in Nederland aan de heersende gebruiken heeft aangepast. Als zij dat doet, loopt zij in Afghanistan geen gevaar, aldus de staatssecretaris.

2.3.    De vreemdeling is in februari 2012 Nederland ingereisd. Toen de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel werd ingetrokken, was zij bijna vier jaar in Nederland en was zij 19 jaar oud. Zij heeft in haar procedure tegen het intrekkingsbesluit aangevoerd dat zij nog altijd aanhanger is van de islam, maar dat zij zich in Nederland anders gedraagt dan vrouwen in Afghanistan. Zo draagt zij in Nederland geen boerka, gaat zij zonder mannelijke begeleiding over straat en gaat zij naar school. Verder zou zij in de toekomst graag op zichzelf willen wonen. Zij wil deze westerse levensstijl ook in Afghanistan voortzetten. Zij heeft aangevoerd dat zij door deze levensstijl bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling.

2.4.    De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, heeft in de aangevallen uitspraak, ECLI:NL:RBDHA:2017:484, overwogen dat een westerse levensstijl, zoals door de vreemdeling omschreven, onder de vervolgingsgronden godsdienstige en politieke overtuiging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn valt en dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daardoor een gegronde vrees heeft voor vervolging. De staatssecretaris en de vreemdelingen komen tegen dit oordeel van de rechtbank over het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn in hoger beroep.

Incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen

3.    De vreemdelingen klagen dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging wegens het behoren tot een specifieke sociale groep niet heeft beoordeeld. Ook klagen zij dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat de vreemdeling door haar westerse levensstijl een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar haar land van herkomst.

3.1.    De rechtbank heeft overwogen dat een westerse levensstijl een godsdienstige of politieke overtuiging is en dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daardoor een gegronde vrees heeft voor vervolging. Daarom heeft zij het beroep gegrond verklaard en is zij aan de bespreking van de beroepsgronden van de vreemdelingen over de specifieke sociale groep en onmenselijke behandeling terecht niet meer toegekomen. De grieven falen daarom. Gelet op wat onder 1.1 is overwogen over de zaaksoverstijgende strekking van deze uitspraak en omwille van de leesbaarheid zal de Afdeling die beroepsgronden in deze uitspraak in het kader van het hoger beroep van de staatssecretaris over het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn behandelen.

Volgorde van behandeling

4.    De Afdeling gaat eerst in op de algemene vraag of vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben ontwikkeld, beschermd worden door artikel 1A, aanhef en onder (2), van het Vluchtelingenverdrag, artikel 10 van de richtlijn en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In dit verband gaat de Afdeling eerst in op de vraag of die levensstijl een godsdienstige of politieke overtuiging is in de zin van die bepalingen. Ook beantwoordt de Afdeling de vraag of...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT