Uitspraak Nº 201802837/1/V2. Raad van State, 2018-12-14

Datum uitspraak:14 december 2018
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201802837/1/V2.

Datum uitspraak: 14 december 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 maart 2018 in zaak nr. NL18.2018 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 28 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaken ECLI:NL:RVS:2018:4026 en ECLI:NL:RVS:2018:4027 ter zitting behandeld op 9 augustus 2018, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. S.T.C. Rebergen, advocaat te Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.J. Balfoort en mr. R.A. Visser, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is afkomstig uit Yangon in Myanmar en is moslim. Deze uitspraak gaat onder meer over de vraag of de vreemdeling als moslim, niet behorend tot de Rohingya, in Myanmar te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of voor ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

1.1.    Deze uitspraak heeft ook betekenis voor andere vreemdelingen uit Myanmar die, omdat zij moslim zijn, maar niet tot de Rohingya behoren, vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of voor ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aan hun asielaanvraag ten grondslag leggen. Gelet hierop en op de actualiteitswaarde van de uitspraak, betrekt de Afdeling bij haar oordeel ook informatie en standpunten die partijen pas na de aangevallen uitspraak hebben ingebracht.

2.    Wat in de eerste grief is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3.    In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens zijn illegale doorreis naar Nederland, via Thailand en China, en zijn asielaanvraag in Nederland bij terugkeer moet vrezen voor ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De vreemdeling wijst erop dat hij een nieuw paspoort zal moeten aanvragen waarbij hij door de Myanmarese autoriteiten zal worden ondervraagd over onder meer zijn illegale verblijf in het buitenland. Verder voert de vreemdeling aan dat de staatssecretaris in vergelijkbare zaken wel een verblijfsvergunning heeft verleend. Tot slot valt volgens de vreemdeling uit de intrekking van het eerdere besluit van 21 februari 2017 af te leiden dat hij er in is geslaagd zijn vrees aannemelijk te maken.

3.1.    De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 29 januari 2018 onder verwijzing naar het rapport 'Country Policy and Information Note Burma: Critics of the Government' van de United Kingdom Home Office van maart 2017 (hierna: het UKHO-rapport) op het standpunt gesteld dat een persoon die Myanmar illegaal heeft verlaten, dan wel is gereisd naar een andere bestemming dan aanvankelijk opgegeven, geen risico meer loopt om bij terugkeer gevangen te worden gezet. Daarnaast heeft hij gewezen op het '2015 Country Report on Human Rights - Burma' van de United States Department of State van 13 april 2016. Daarin staat dat velen gehoor hebben gegeven aan de oproep van de huidige Myanmarese overheid gericht aan burgers in zelfverkozen ballingschap terug te keren naar Myanmar om te helpen met de opbouw van het land. De rechtbank heeft beide rapporten in haar oordeel betrokken en de vreemdeling heeft de inhoud ervan in hoger beroep niet weerlegd. De verwijzing naar informatie van de Myanmarese ambassade in Brussel over het aanvragen van een nieuw paspoort treft in dit verband geen doel. Die informatie beschrijft slechts de daarvoor geldende procedure en de daarbij over te leggen gegevens. De vreemdeling heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele ondervraging over zijn verblijf in Nederland in het kader van een paspoortaanvraag zal leiden tot het door hem gestelde risico bij terugkeer naar Myanmar. Verder volgt uit het falen van de eerste grief dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte de gestelde problemen van de vreemdeling als gevolg van zijn relatie met een boeddhistisch meisje ongeloofwaardig heeft geacht. Daarnaast is niet in geschil dat de vreemdeling Myanmar destijds op legale wijze is uitgereisd. Gelet hierop heeft de rechtbank bij haar oordeel verder terecht betrokken dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij eerder problemen met de Myanmarese autoriteiten heeft gehad.

3.2.    Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling uiteengezet dat alleen in twee van de vijf door de vreemdeling genoemde gevallen een verblijfsvergunning is verleend wegens illegale uit- of doorreis, waarbij in beide zaken de aanvraag dateerde van 27 augustus 2016 en het inwilligende besluit van 16 december 2016. Op dat moment was, aldus de staatssecretaris, het UKHO-rapport, dat aanleiding is geweest zijn standpunt over de risico's bij terugkeer wegens illegale uit- of doorreis voor vreemdelingen uit Myanmar te herzien, nog niet uitgebracht. Hiermee heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van gelijke gevallen. Het betoog van de vreemdeling dat zijn aanvraag dateert van 27 september 2016 en dat de staatssecretaris daarom in het besluit van 29 januari 2018 de beslispraktijk van vóór de publicatie van het UKHO-rapport als uitgangspunt had moeten nemen, faalt. Er is geen rechtsregel aan te wijzen die de staatssecretaris daartoe dwingt.

3.3.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris verder toegelicht dat, zoals hij ook in het besluit van 29 januari 2018 heeft uiteengezet, hij het besluit van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT