Uitspraak Nº 201805270/5/R3. Raad van State, 2020-12-30

Court
Docket Number201805270/5/R3
ECLIECLI:NL:RVS:2020:3138

201805270/5/R3.

Datum uitspraak: 30 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden, en stichting Groen Kempenland (hierna: de stichting), gevestigd te Bladel,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1990, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de gebreken aan het besluit van 5 juli 2018 te herstellen op een wijze als aangegeven in de tussenuitspraak door dat besluit alsnog toereikend te motiveren, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 23 december 2019 heeft het college een aanvullende motivering ingezonden.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en de stichting hun zienswijze over de wijze waarop het college gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak naar voren gebracht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 22 oktober 2020, waar [appellant] en de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], het college, vertegenwoordigd door C.W.M. van Alphen, mr. M. van der Hoff en N. Dekkers zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, als partij gehoord.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Het wettelijk kader, voor zover niet eerder opgenomen in de bijlage bij de tussenuitspraak, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

De tussenuitspraak

2. In de tussenuitspraak van 26 juni 2019 heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 5 juli 2018 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Zij heeft het college opgedragen verschillende gebreken aan dat besluit te herstellen door gemotiveerd en met inachtneming van hetgeen de Afdeling heeft overwogen:

- te beoordelen of de aanvraag om omgevingsvergunning eerste fase van [partij] in overeenstemming is met de stalderingsregeling, nadat het [partij] in de gelegenheid heeft gesteld om een stalderingsbewijs over te leggen;

- te beoordelen of de aanvraag van [partij] in overeenstemming is met de BZV 2.0;

- te bezien of aanleiding bestaat voor een nieuwe beoordeling van cumulatieve geurbelasting en deze beoordeling zo nodig opnieuw te maken;

- te beoordelen in hoeverre van de beoogde verlenging van de varkensstal gevolgen voor gebouw bewonende soorten zijn te verwachten;

- te beoordelen of het de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase in overeenstemming met de omgevingsvisie acht;

- te beoordelen of met de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase de toepasselijke richtwaarden voor stiltegebieden niet worden overschreden en als dat wel het geval is, of het aanleiding ziet de gevraagde omgevingsvergunning eerste fase niettemin te verlenen.

3. Het college heeft bij brief van 23 december 2019 een aanvullende motivering ingezonden, waarin op elk van de bovenstaande punten is ingegaan. Ter beoordeling ligt voor of de gebreken aan het besluit van 5 juli 2018 hiermee zijn hersteld.

Stalderingsregeling

4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling, kort weergegeven, overwogen dat het college toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning eerste fase van [partij] aan de stalderingsregeling in de artikelen 26 en 35 van de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de VrNB), zoals die luidde ten tijde van het besluit, op onjuiste gronden achterwege heeft gelaten. De Afdeling heeft het college opgedragen om alsnog te beoordelen of de aanvraag om omgevingsvergunning eerste fase van [partij] in overeenstemming is met de stalderingsregeling, nadat het [partij] in de gelegenheid heeft gesteld om een stalderingsbewijs over te leggen.

4.1. Aan de aanvullende motivering van 23 december 2019 heeft het college ten grondslag gelegd dat gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 20 december 2019 een stalderingsbewijs ten behoeve van de aanvraag van [partij] hebben afgegeven. Binnen het stalderingsgebied de Kempen wordt 200% van de gevraagde oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren gesaneerd voor herbestemming ten behoeve van de door [partij] gevraagde verlenging van de varkensstal. Daarmee is niet alleen voldaan aan de stalderingsregeling in de VrNB, maar ook aan de gewijzigde stalderingsregeling zoals opgenomen in artikel 2.74 van de op 5 november 2019 in werking getreden Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: de Interim omgevingsverordening), aldus het college.

4.2. [appellant] en de stichting betwisten dat met het afgegeven stalderingsbewijs aan de stalderingsregeling is voldaan. Zij voeren aan dat het stalderingsbewijs op grond van de stalderingsregeling moet zijn afgegeven voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. Een stalderingsbewijs kan volgens hen niet achteraf worden aanvaard ter aanvullende motivering van een al eerder verleende omgevingsvergunning. Om het stalderingsbewijs te kunnen betrekken, had het college het besluit van 5 juli 2018 moeten intrekken en een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen, aldus [appellant] en de stichting.

4.2.1. De tussenuitspraak strekt ertoe dat het besluit van 5 juli 2018 niet rechtmatig is, onder meer door het ontbreken van een toetsing aan de stalderingsregeling. De Afdeling zal in deze einduitspraak dan ook overgaan tot vernietiging van dat besluit. De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak de keuze gelaten om de gebreken aan het besluit van 5 juli 2018 te herstellen door dat besluit alsnog toereikend te motiveren dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Uit de tussenuitspraak volgt dat het college daarbij een door [partij] nog over te leggen stalderingsbewijs mocht betrekken.

Het college heeft ervoor gekozen om de motivering aan te vullen en mede te baseren op het afgegeven stalderingsbewijs. De Afdeling dient aan de hand van deze aanvullende motivering van het college te bezien of de rechtsgevolgen van het besluit van 5 juli 2018 in stand kunnen blijven. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de Afdeling daarbij feiten en omstandigheden van na dat besluit, zoals het alsnog afgegeven stalderingsbewijs, betrekt.

Het betoog faalt.

4.3. [appellant] en de stichting betogen dat het saneringsbewijs op onjuiste gronden is afgegeven. Een van de gestelde saneringslocaties is die van [bedrijf] aan de [locatie] te Hooge Mierde, waar gesteld is gesaneerd door het herbestemmen van 1.060 m2 aan stalruimte. [appellant] en de stichting bestrijden dat hier sprake is van sanering. Zij voeren aan dat de daar geldende bestemmingsplanregeling nog altijd onverkort een gebruik als dierenverblijf mogelijk maakt. Weliswaar is de omvang van dierenverblijf voor hokdieren beperkt, maar dat laat de mogelijkheden voor dierenverblijf voor andere dieren in dezelfde stalruimte onverlet. Daar komt bij dat het overgangsrecht gedurende een jaar na het beëindigen van het gebruik als dierenverblijf voor hokdieren hervatting van dat gebruik mogelijk maakt. Ook is niet aangetoond of gebleken dat het gebruik daadwerkelijk feitelijk is beëindigd, aldus [appellant] en de stichting.

4.3.1. De stalderingsregeling zoals die gold ten tijde van het verlenen van het stalderingsbewijs is neergelegd in de artikelen 2.74 en 3.52 van de Interim omgevingsverordening.

Blijkens de tekst van deze artikelen kan de stalderingsregeling worden toegepast wanneer "binnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd". Een redelijke uitleg brengt met zich dat de bedoelde juridische en feitelijke beëindiging van een gebruik als dierenverblijf betrekking heeft op gebruik als dierenverblijf voor hokdierhouderij. Dit is ook in overeenstemming met het doel van de stalderingsregeling zoals toegelicht door gedeputeerde staten van Noord-Brabant en zoals blijkt uit de toelichting bij de stalderingsregeling, om uitsluitend hokdierhouderijen te reguleren en andere dierhouderijen, zoals melkveehouderijen, van de regeling uit te zonderen. Anders dan [appellant] en de stichting betogen, kan in beginsel dus ook toepassing worden gegeven aan de stalderingsregeling wanneer een gebruik als dierenverblijf voor hokdieren wordt gewijzigd in een gebruik als dierenverblijf voor andere soorten dieren.

4.3.2. Op de gronden van [bedrijf] geldt het op 12 maart 2019 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2009, herziening [locatie]-3". De op deze gronden rustende bestemming "Agrarisch met waarden - landschap", met functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veehouderij" laat voor [bedrijf] een gebruik van dierenverblijf voor hokdieren tot een oppervlakte van maximaal 1.006 m2 toe. Niet in geschil is dat De Beemdhoeve op grond van het voorgaande bestemmingsplan een grotere oppervlakte van 2.066 m2 mocht gebruiken, en feitelijk ook gebruikte, voor dierenverblijf van hokdieren. In het nieuwe bestemmingsplan zijn de gronden in zoverre voor wat betreft een oppervlakte van 1.060 m2 herbestemd. Naar het oordeel van de Afdeling mochten gedeputeerde staten van Noord-Brabant er bij het afgeven van het stalderingsbewijs van uitgaan dat deze herbestemming geldt als sanering door de juridische beëindiging van het gebruik van dierenverblijf voor hokdierhouderij. Dit is in overeenstemming met de toelichting bij de stalderingsregeling. Daarin staat dat bij herbestemming geldt dat feitelijk en juridisch geborgd moet zijn dat er geen dieren meer gehouden kunnen worden in het gebouw. Dit betekent volgens de toelichting dat er geen veehouderijbestemming meer op de gebouwen mag liggen. Dit vergt dat de bestemmingsplanprocedure waarin...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT