Uitspraak Nº 201807676/1/A3. Raad van State, 2020-03-25

ECLIECLI:NL:RVS:2020:835
Docket Number201807676/1/A3
Date25 Marzo 2020

201807676/1/A3.

Datum uitspraak: 25 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 september 2018 in zaak nr. 18/989 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van procureurs-generaal.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2017 heeft het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken, naar hij stelt namens het college, het verzoek van [appellante] van 25 september 2017 tot het verstrekken van (strafvorderlijke) gegevens afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2018 heeft het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken, naar hij stelt namens het college, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 april 2018 heeft het college het besluit van 23 februari bekrachtigd.

Bij uitspraak van 14 september 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 23 februari 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.A.J.T. Hoogendoorn, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J.C. Menken, zijn verschenen.

Overwegingen

Relevante regelgeving

1. De voor deze zaak relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. [appellante], die als brigadier werkzaam was bij de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie, is in 2013 aangemerkt als verdachte van overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De Landelijke Recherche van de Landelijke Eenheid heeft een strafrechtelijk onderzoek - genaamd ‘Discovery’ - uitgevoerd, waarvan een proces-verbaal van 31 juli 2014 met bijbehorende bijlagen is neergelegd in het dossier met nummer [...]. De zaak is vervolgens door de Officier van Justitie geseponeerd. De korpschef van politie heeft op 25 februari 2015, in zijn hoedanigheid van werkgever, [appellante] de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. [appellante] heeft de korpschef verzocht om (de persoonsgegevens in) het strafrechtelijk onderzoeksdossier te verwijderen, hetgeen heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1807 (hierna: de Wpg-procedure).

2.1. Bij brief van 25 november 2017 heeft [appellante] het college verzocht om haar (strafvorderlijke) gegevens te verstrekken. Volgens haar ontbraken in het strafrechtelijk onderzoeksdossier stukken die op dat moment voor de verdere behandeling van de Wpg-procedure noodzakelijk waren en daarnaast bestond de indruk dat processen-verbaal in dat dossier onjuist en/of onvolledig waren. De stukken en/of gegevens waar zij om heeft verzocht zijn opgesomd in 21 gedachtestreepjes en beslaan ongeveer twee pagina’s. Daarnaast vraagt zij om de namen van de informant(en) en informantenrunner(s), of op zijn minst het/de registratienummer(s) van de informant(en) en informantenrunner(s), de namen van […] en […] en van de ClE-officier van justitie verantwoordelijk voor/verbonden aan de (R)CIE van de Politie Utrecht en TGI van de Nationale Politie, eenheid Midden-Nederland.

Het college heeft uit de vraagstelling opgemaakt dat het verzoek is gebaseerd op artikel 39i van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg). Omdat het college niet kon beoordelen waarop de aanname is gebaseerd dat [appellante] in de Wpg-procedure niet het gehele dossier zou hebben, was het college van oordeel dat het het verzoek niet kon inwilligen. Daarnaast geeft artikel 39i volgens het college geen recht op een afschrift van de betrokken gegevens. Hangende het bezwaar heeft het college het verzoek ook beoordeeld op grond van artikel 39f van de Wjsg. De afwijzing van het verzoek heeft het college in bezwaar gehandhaafd. Aan artikel 39i Wjsg kan een verzoeker geen rechten ontlenen die leiden tot verstrekken van stukken. Daarnaast heeft het college overwogen dat voor zover het verzoek betrekking had op de dossiers [persoon A] en [persoon B] en het onderzoek contra [persoon C], het in die dossiers niet gaat om verwerking van strafvorderlijke gegevens van [appellante], maar van haar broer, en het daarom niet tot inzage of verstrekking daarvan kan overgaan.

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 23 februari 2018 vanwege een bevoegdheidsgebrek in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is genomen. De rechtsgevolgen van het besluit kunnen echter in stand blijven. Daartoe is van belang dat het bevoegdheidsgebrek volgens de rechtbank is gerepareerd met een bekrachtigingsbesluit van het college...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT

VLEX uses login cookies to provide you with a better browsing experience. If you click on 'Accept' or continue browsing this site we consider that you accept our cookie policy. ACCEPT