Uitspraak Nº 201809857/1/A3 en 201809857/2/A3. Raad van State, 2019-01-24

Datum uitspraak:24 januari 2019
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201809857/1/A3 en 201809857/2/A3.

Datum uitspraak: 24 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [appellante], wonend te Amsterdam, mede voor haar minderjarige kinderen, (hierna: [appellante]) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 8 november 2018 in zaken nrs. 18/6097 en 18/5032 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2018 heeft het college een aanvraag van [appellante] om afgifte van een urgentieverklaring woningtoewijzing afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft [appellante] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 januari 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.M. de Roo, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Brandenburg, zijn verschenen.

Overwegingen

Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Juridisch kader

2.    Op dit geschil is de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 van toepassing, zoals die gold van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019. De relevante bepalingen uit de Huisvestigingsverordening staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. In de bijlage staan ook de door [appellante] aangehaalde bepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het twaalfde protocol daarbij, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK).

Inleiding

3.    [appellante] woonde in Suriname met haar dochters [naam 1] en [naam 2]. In februari 2015 is zij naar Nederland gekomen voor een vakantie. Tijdens deze vakantie is zij zwanger geworden van haar jongste dochter [naam 3]. Zij is niet teruggekeerd naar Suriname en verbleef op verschillende plekken in Amsterdam. Op 23 augustus 2017 heeft [appellante] zich met [naam 3] bij de GGD van Amsterdam gemeld voor onderdak. Sinds 13 september 2017 verblijft zij in een crisisopvang voor dakloze gezinnen aan de Waldenlaan te Amsterdam.

3.1.    [naam 3] heeft bij haar geboorte de Nederlandse nationaliteit gekregen. [naam 3] bezit dus het EU-burgerschap. Sinds het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, is bekend dat [appellante] door de geboorte van [naam 3] op 19 september 2015 aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht. [naam 1] en [naam 2] zijn in september 2017 naar Nederland gekomen en wonen nu samen met hun moeder en zusje [naam 3] in de crisisopvang. Zij hebben in januari 2018 een verblijfsvergunning gekregen.

3.2.    [appellante] heeft op 13 maart 2018 een aanvraag voor een urgentieverklaring bij de gemeente Amsterdam voor haarzelf en haar minderjarige kinderen gedaan. Het college heeft deze aanvraag afgewezen op de grond dat het gezin minder dan twee jaar in Amsterdam woont als bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder i, van de Huisvestingsverordening (hierna: de woonduureis). [appellante] en haar dochter [naam 3] wonen wel twee jaar in Amsterdam, maar [naam 2] nog niet. [naam 1] was ten tijde van belang meerderjarig en is daarom niet in de beoordeling van de aanvraag betrokken.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft overwogen dat niet alle gezinsleden van [appellante] direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag ten minste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd, waren ingeschreven in de Basisregistratie personen. Daarmee voldoet [appellante] niet aan de voorwaarde zoals die is gesteld in de Huisvestingsverordening. Het college heeft zich reeds hierom terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de moeilijke situatie van [appellante], is de situatie volgens haar niet zodanig dat het college haar voorrang bij de verdeling van woonruimte had moeten verlenen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT