Uitspraak Nº 201904404/1/A3. Raad van State, 2020-04-29

Datum uitspraak:29 april 2020
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201904404/1/A3.

Datum uitspraak: 29 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2019 in zaak nr. 18/5113 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2018 heeft het college aan [wederpartij] een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.000,00 voor het zonder vergunning onttrekken van woonruimte.

Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2018 vernietigd, het besluit van 15 februari 2018 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 201903261/1/A3, 201903269/1/A3, 201903274/1/A3 en 201903279/1/A3 op 7 januari 2020, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I.M. van der Heijden en mr. A.H.T. van Gijssel, advocaten te Den Haag, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het relevante juridische kader is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

2. [wederpartij] huurt een tweekamerappartement op de eerste verdieping van het pand aan de [locatie] te Rotterdam. Ter zitting van de Afdeling heeft [wederpartij] bevestigd dat het een koopwoning betreft. De Afdeling begrijpt daaruit dat de woning bij verhuur zou vallen in de geliberaliseerde huursector. Bij een inspectie op 13 oktober 2017 heeft een inspecteur van de gemeente geconstateerd dat de slaapkamer zonder onttrekkingsvergunning aan de bestemming tot woonruimte is onttrokken ten behoeve van hennepteelt. Een deel van de woonruimte is daardoor niet langer geschikt voor bewoning. Dit is volgens het college in strijd met artikel 35, gelezen in samenhang met artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014, gelezen in samenhang met artikel 3.1.2 van de op 6 april 2017 door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad. Daarbij is kennelijk bedoeld de versie van deze verordening zoals die luidde ten tijde van de geconstateerde overtreding, die is vastgesteld door de gemeenteraad van Rotterdam op 6 april 2017. Deze versie gold van 26 april 2017 tot 3 januari 2018. Het college heeft [wederpartij] daarom een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.000,00. Artikel 3.1.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening 2017 voorziet, kort gezegd, in een verbod tot het onttrekken van woonruimte aan de bestemming woning zonder voorafgaande vergunning van het college. De Afdeling constateert dat de huisvestingsverordening zoals deze gold ten tijde van de beslissing op bezwaar hetzelfde verbod tot het onttrekken van woonruimte behelsde. Ten behoeve van de leesbaarheid van haar uitspraak zal de Afdeling de betreffende verordening(en) daarom kortheidshalve aanduiden als: de Huisvestingsverordening 2017.

Nader stuk college

3. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Bij brief van 20 december 2019 heeft het college een nader stuk ingediend. Dit stuk bevat een nadere toelichting van 23 pagina's op de eerder, tijdig aangevoerde hogerberoepsgronden. De Afdeling ziet geen aanleiding deze nadere toelichting buiten beschouwing te laten. Bij het nader stuk zijn vijf bijlagen gevoegd waaronder drie rapporten en twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam. Door diverse feestdagen in de periode voorafgaand aan de zitting, bleven er slechts acht werkdagen over om het nader stuk en de bijlagen te bestuderen en een reactie daarop voor te bereiden. Gelet op de aard en de omvang van de bijlagen en het tijdstip waarop deze zijn ingediend, was het voor de overige partijen redelijkerwijs niet mogelijk op de zitting of op andere passende wijze daarop te reageren. Het college heeft ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het college deze stukken niet eerder had kunnen indienen. De bij de toelichting gevoegde drie rapporten worden daarom, ongeacht de relevantie daarvan, met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing gelaten.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:1835) geoordeeld dat de Huisvestingverordening 2017, zoals deze gold van 26 april 2017 tot 3 januari 2018, onverbindend is wegens strijd met artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. Dit leidt ertoe dat deze buiten toepassing moet worden gelaten. Hiermee komt de grondslag voor de bestuurlijke boete te vervallen. De boete is daardoor ten onrechte aan [wederpartij] opgelegd. De rechtbank ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 15 februari 2018 te herroepen. Dit betekent dat [wederpartij] de boete dus niet hoeft te betalen, aldus de rechtbank.

Beoordeling gronden

5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gehele Huisvestingsverordening 2017 onverbindend is. De Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad is in de plaats gekomen van zowel de Huisvestingsverordening Stadsregio Rotterdam 2006 als de Tijdelijke huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam. Vanwege het inhoudelijke verband tussen het verlenen van toegang tot de woningmarkt en het beïnvloeden van de samenstelling van de woningvoorraad heeft de gemeenteraad ervoor gekozen om de regelgeving ter zake van beide onderwerpen in één verordening onder te brengen, namelijk de Huisvestingsverordening 2017. Volgens het college heeft de rechtbank miskend dat de bevoegdheid van de gemeenteraad om de verordening vast te stellen mede is gebaseerd op de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (hierna: de Wet bmgp). Hoofdstuk 2 van de Huisvestingsverordening 2017 kan zeker niet onverbindend worden geacht, omdat dat hoofdstuk volgens het college zijn directe grondslag kent in die wet. In hoofdstuk 2 zijn regels opgenomen met betrekking tot de toegang tot de woningmarkt en bevat de huisvestingsvergunning op grond van de Wet bmgp. Die wet...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT