Uitspraak Nº 201907527/1/V1. Raad van State, 2020-12-30

Court
Docket Number201907527/1/V1
ECLIECLI:NL:RVS:2020:3046

201907527/1/V1.

Datum uitspraak: 30 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 september 2019 in zaak nr. 18/3813 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2018 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 16 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201907849/1/V6 ter zitting behandeld op 13 augustus 2020, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, en mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en drs. H.J.W. Roelfsema, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. De vreemdeling heeft vanaf zijn geboorte, op [geboortedatum] te [plaats], de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit gehad. De staatssecretaris heeft bij besluit van 7 mei 2018 het Nederlanderschap van de vreemdeling ingetrokken, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf waarvan twee jaren voorwaardelijk met proeftijd wegens het met het oogmerk om moord en doodslag met een terroristisch oogmerk voor te bereiden zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en wegens het opzettelijk zich vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf. Het betreft hier terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is hij veroordeeld wegens het plegen van het misdrijf bedoeld in artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht. De staatssecretaris heeft in dit verband verwezen naar het arrest van de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag van 7 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1978. Daarin is onder meer bewezen verklaard dat de vreemdeling in de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 is afgereisd naar Syrië en daar - aan de zijde van ISIS of een andere terroristische organisatie die de gewelddadige jihad voorstaat - heeft deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende strijd van deze organisatie(s) en vuurwapens en camouflagekleding heeft gedragen. Daarnaast heeft hij vaardigheden verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en in Nederland onder meer jihadistische films en documentatie via Whatsapp verspreid waarin wordt opgeruid tot het plegen van zulke misdrijven. De vreemdeling heeft hiermee volgens de staatssecretaris essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig geschaad. De intrekking van het Nederlanderschap ligt in deze procedure niet voor.

De staatssecretaris heeft bij besluit van 7 mei 2018 krachtens artikel 62a, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 een terugkeerbesluit uitgevaardigd tegen de vreemdeling en hem krachtens artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000 een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar en met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.

Datum terugkeerbesluit en inreisverbod

3. De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte op de dag hij het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft genomen, ook het terugkeerbesluit heeft genomen en de vreemdeling een inreisverbod heeft opgelegd, om hem zo snel mogelijk duidelijk te maken dat niet alleen zijn Nederlanderschap is ingetrokken, maar ook zijn verblijf in Nederland niet wordt aanvaard. De vreemdeling voert aan dat de rechtbank dit ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat zij niet is ingegaan op alle door hem naar voren gebrachte beroepsgronden. De vreemdeling heeft onder meer aangevoerd dat de staatssecretaris voorbarig het terugkeerbesluit heeft genomen en een inreisverbod heeft opgelegd, omdat de intrekking van het Nederlanderschap nog niet in rechte is komen vast te staan en daarom nog niet zeker is dat de Vw 2000 op hem van toepassing is.

3.1. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap bij besluit van 7 mei 2018 krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b van de Rijkswet op het Nederlanderschap ingetrokken. Het rechtsgevolg van dat besluit is direct ingetreden. Dat betekent dat de vreemdeling met ingang van 7 mei 2018 geen Nederlander meer is, maar een vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vw 2000, behalve gedurende de perioden waarin een voorlopige voorziening van kracht was. De Vw 2000 was daarom ten tijde van het besluit van 7 mei 2018 op hem van toepassing. Dat de vreemdeling rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de intrekking van het Nederlanderschap en dat besluit daarom nog kon worden vernietigd maakt het voorgaande niet anders...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT