Uitspraak Nº 201907849/1/V6. Raad van State, 2020-12-30

Court
Docket Number201907849/1/V6
ECLIECLI:NL:RVS:2020:3045

201907849/1/V6.

Datum uitspraak: 30 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvend te Ter Apel, gemeente Westerwolde,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 september 2019 in zaak nr. 18/8211 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2018 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken.

Bij besluit van 5 november 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 september 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris heeft stukken overgelegd en de Afdeling verzocht vast te stellen dat deze niet op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De staatssecretaris heeft verder met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat, mocht de Afdeling oordelen dat het wel zulke stukken zijn, uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken. De Afdeling heeft in andere samenstelling beslist dat de stukken op de zaak betrekking hebben en dat beperkte kennisneming ervan gerechtvaardigd is. [appellant] heeft de Afdeling toestemming gegeven om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen.

[appellant] en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 201907527/1/V1 ter zitting behandeld op 13 augustus 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, en mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en drs. H.J.W. Roelfsema, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. [appellant] heeft vanaf zijn geboorte, op [geboortedatum] te [plaats], de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit gehad. De staatssecretaris heeft zijn Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) ingetrokken, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf waarvan twee jaren voorwaardelijk met proeftijd wegens het met het oogmerk om moord en doodslag met een terroristisch oogmerk voor te bereiden zich gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en wegens het opzettelijk zich vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf. Het betreft hier terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarnaast is hij veroordeeld wegens het plegen van het misdrijf bedoeld in artikel 134a Sr. De staatssecretaris heeft in dit verband verwezen naar het arrest van de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag van 7 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1978. Daarin is onder meer bewezen verklaard dat [appellant] in de periode van 1 maart 2013 tot en met 3 februari 2014 is afgereisd naar Syrië en daar - aan de zijde van ISIS of een andere terroristische organisatie die de gewelddadige jihad voorstaat - heeft deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende strijd van deze organisatie(s) en vuurwapens en camouflagekleding heeft gedragen. Daarnaast heeft [appellant] vaardigheden verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en in Nederland onder meer jihadistische films en -documentatie via Whatsapp verspreid waarin wordt opgeruid tot het plegen van zulke misdrijven. [appellant] heeft hiermee volgens de staatssecretaris essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig geschaad.

De procedure bij de rechtbank

3. Het betoog van [appellant] ziet op de procedurele tekortkomingen in eerste aanleg. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd rapporten van onder andere de reclassering, de politie, het Openbaar Ministerie en hulpverleners, waaruit zijn resocialisatie blijkt, op te vragen en bij de besluitvorming te betrekken. Uit deze rapporten volgt volgens [appellant] dat hij afstand heeft genomen van zijn eerdere denkbeelden en dat het door het Gerechtshof Den Haag opgelegde resocialiseringstraject is geslaagd. Verder heeft de staatssecretaris het in beroep overgelegde stuk (hierna: het stuk) ten aanzien waarvan hij een beroep heeft gedaan op artikel 8:29 van de Awb, ten onrechte niet voorzien van een inventarislijst. Hierdoor heeft de rechtbank niet kunnen uitsluiten dat er stukken ontbraken. De rechtbank had de staatssecretaris de opdracht moeten geven deze ontbrekende stukken aan [appellant] ter beschikking te stellen, omdat deze op de zaak betrekking hebben en daarom ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Awb aan het procesdossier moeten worden toegevoegd.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 mei 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6091), is een onjuiste toepassing van artikel 8:29 van de Awb in het algemeen geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak, maar in het geval dat die onjuiste toepassing dusdanige gevolgen heeft gehad voor de aangevallen uitspraak dat zich een onaanvaardbaar verlies van instantie zou voordoen, is vernietiging van die uitspraak en terugwijzing van de zaak aangewezen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank artikel 8:29 van de Awb juist toegepast in haar beslissing van 16 april 2019. Onder verwijzing naar een brief van de staatssecretaris van 4 februari 2019 heeft de rechtbank daarin overwogen dat het stuk bestuurlijke inbreng betreft van het Openbaar Ministerie, de AIVD, politie en gemeente. Duidelijk is dat het verzoek om geheimhouding hierop ziet. De staatssecretaris hoefde dus geen inventarislijst over te leggen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat beperkte kennisneming van het stuk gerechtvaardigd is, omdat aan het belang van de mogelijkheid tot vertrouwelijk overleg en vertrouwelijke inbreng zonder dat degene op wie het overleg betrekking heeft daarvan kennis neemt, meer gewicht toekomt dan aan het belang van [appellant] om van het stuk kennis te nemen. Zie in dezelfde zin de beslissing van de Afdeling van 7 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:392, die betrekking heeft op het in deze zaak in hoger beroep gedane beroep van de staatssecretaris op artikel 8:29 van de Awb.

Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, moet een bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zenden. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat de reclassering in beginsel niet rapporteert aan de staatssecretaris. Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij aan het Veiligheidshuis deelneemt om informatie over een vreemdeling in te brengen en niet om informatie over een vreemdeling te verkrijgen. Nu er geen reden is te twijfelen aan de stelling van de staatssecretaris dat hij niet over de door [appellant] bedoelde rapporten beschikt, kan de staatssecretaris die niet overleggen. Verder heeft [appellant] onder meer tijdens de hoorzitting van 29 augustus 2017 en 24 januari 2018 de gelegenheid gehad om zijn contacten met de reclassering en andere instanties te onderbouwen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Onder deze omstandigheden strekt de onderzoeksplicht van de staatssecretaris niet zover dat hij de door [appellant] bedoelde rapporten bij de diverse instanties had moeten opvragen. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat er voor de staatssecretaris geen aanleiding bestond om nader onderzoek te doen naar de gestelde deradicalisering van [appellant].

Het betoog faalt.

Het verbod op dubbele bestraffing

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de intrekking van het Nederlanderschap geen punitieve sanctie is en niet in strijd is met het ne-bis-in-idembeginsel. Hij voert aan dat de rechtbank heeft nagelaten zijn beroep op het arrest van het EHRM van 8 juni 1976, Engel en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:EHCR:1976:0608JUD000510071, en de vergelijking met het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, te bespreken. Uit het doel van de intrekking van het Nederlanderschap en de aard en zwaarte ervan volgt dat deze maatregel punitief van aard is en in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel, gelet op de veroordeling door het Gerechtshof Den Haag. Verder verwijst [appellant] naar gecommuniceerde zaken bij het EHRM waarin de vraag centraal staat of de intrekking van de Franse of Belgische nationaliteit kan worden aangemerkt als een 'criminal charge' in de zin van artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM.

4.1. Het ne-bis-in-idembeginsel behelst een verbod op dubbele bestraffing. Dit betekent dat niet meer punitieve sancties mogen worden opgelegd voor één strafbare gedraging. De vraag rijst of de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant] - naast zijn strafrechtelijke veroordeling - een tweede punitieve sanctie voor dezelfde gedraging...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT