Uitspraak Nº 202000294/1/V3. Raad van State, 2020-04-29

Datum uitspraak:29 april 2020
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

202000294/1/V3.

Datum uitspraak: 29 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 december 2019 in zaak nr. 19/1177 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft betaald. Hij betoogt dat de rechtbank, voordat zij kon oordelen dat hij niet voldeed aan de vereisten voor betalingsonmacht, hem eerst in de gelegenheid had moeten stellen om hierop te reageren. Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte belang heeft gehecht aan zijn oude arbeidsovereenkomst uit 2017. Ten tijde van het instellen van het beroep en tijdens de beroepsfase had hij namelijk geen rechtmatig verblijf meer, waardoor arbeid niet was toegestaan en hij geen recht meer had op sociale voorzieningen, aldus de vreemdeling.

1.1. In de uitspraak van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, heeft de Centrale Raad van Beroep uiteengezet op welke wijze een beroep op betalingsonmacht door de bestuursrechter moet worden behandeld. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650, is deze uitspraak voor de Afdeling leidend bij de beoordeling van beroepen op betalingsonmacht.

1.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling bij de rechtbank een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan en dat hij op verzoek van de rechtbank een formulier heeft ingevuld waaruit volgt dat hij niet over inkomen of vermogen beschikt. De griffier van de rechtbank heeft de vreemdeling vervolgens bij brief van 4 maart 2019 medegedeeld dat hij mede op basis van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT