Uitspraak Nº 22-004617-15. Gerechtshof Den Haag, 2019-02-01

Datum uitspraak: 1 februari 2019
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL

Rolnummer: 22-004617-15

Parketnummer: 09-994181-13

Datum uitspraak: 1 februari 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren te [plaats] op [datum],

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

7 juli 2017 en 18 januari 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 47.500,- subsidiair 274 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich overeenkomstig zijn pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van beginselen van een behoorlijke procesorde. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat door de officier van justitie op geen enkel moment op de in de wetsgeschiedenis voorgeschreven wijze een (bewuste) afweging is gemaakt tussen een tuchtrechtelijke aanpak of een strafrechtelijke vervolging, dan wel de samenloop daarvan.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich overeenkomstig zijn op schrift gestelde aantekeningen op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van beginselen van een behoorlijke procesorde en het Openbaar Ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Op grond van de wetgeschiedenis staat de mogelijkheid van tuchtrechtelijke handhaving een strafrechtelijke vervolging niet in de weg. Bovendien is pas een tuchtrechtelijke procedure gestart eerst nadat de officier van justitie de keuze had gemaakt om de verdachte strafrechtelijk te vervolgen.

Oordeel hof

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo een uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

Bij tussenarrest van 21 juli 2017 heeft het hof het onderzoek heropend teneinde door de officier van justitie een proces-verbaal van bevindingen te laten opstellen met als doel – kort gezegd – inzicht te krijgen in (het bestaan van) de inhoudelijke afwegingen die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige vervolgingsbeslissing, de uitkomst van het overleg tussen het Openbaar Ministerie en de toezichthouder en de uitkomst van enig eventueel ander relevant gevoerd overleg.

Uit het door de officier van justitie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen volgt dat de strafrechtelijke vervolging al was aangevangen voordat duidelijk werd dat ook sprake zou zijn van een tuchtrechtelijke procedure. Eveneens blijkt uit het proces-verbaal dat er overleg heeft plaatsgevonden tussen onder meer het Openbaar Ministerie en de toezichthouders, waaronder het Bureau Financieel Toezicht, over zaken van meldingsplichtigen die in aanmerking konden komen voor strafrechtelijke vervolging, waaronder de zaak tegen het notariskantoor van de verdachte en/of de verdachte zelf. In dit overleg is besloten om de zaak van de verdachte in onderzoek te nemen. De omstandigheid dat de verdachte meermalen ongebruikelijke transacties niet had gemeld, die alle te maken hadden met dezelfde verdachten uit een omvangrijk onderzoek, heeft de officier van justitie doen besluiten de zaak bij dagvaarding aan te brengen bij de rechtbank. Kort voor de inhoudelijke behandeling van de zitting werd duidelijk dat tevens een tuchtrechtelijke procedure was gestart, waarna wederom overleg heeft plaatsgevonden tussen de officier van justitie in de strafrechtelijke procedure en de officier van justitie in de tuchtrechtelijke procedure over de vraag of sprake was van een onwenselijke samenloop. Geconcludeerd is door hen dat beide procedures voortgezet konden worden nu sprake was van een verschillende normzetting en soortgelijke zaken met betrekking tot notarissen ook eerder zowel tuchtrechtelijk als strafrechtelijk waren afgedaan.

Het hof stelt voorop bij zijn beoordeling dat uit de Memorie van Toelichting op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) volgt dat ter explicitering van de reikwijdte en versterking van het toezicht de mogelijkheid bestaat om naast een strafrechtelijke vervolging ook bestuursrechtelijk en/of tuchtrechtelijk te handhaven. De stelling van de verdediging dat uit de wetsgeschiedenis van de Wwft volgt dat bij overtreding van deze wet door notarissen primair via het tuchtrecht dient te worden opgetreden, deelt het hof niet. Beide sanctiestelsels sluiten volgens de Memorie van Toelichting de aanvullende rol die strafrechtelijke handhaving voor de naleving van deze wet kan betekenen niet uit. De aard en de ernst van de overtredingen kan een strafrechtelijke sanctie vergen, aldus de wetsgeschiedenis. Over de vraag of overtredingen in voorkomende gevallen bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk, dan wel strafrechtelijk moeten worden afgedaan, vindt in de praktijk overleg plaats tussen het Openbaar Ministerie en de toezichthouders (Kamerstukken II 2007/08, 31 238, nr. 3).

Het hof overweegt dat overeenkomstig de bedoeling van de wetgever overleg heeft plaatsgevonden tussen het Openbaar Ministerie en de toezichthouders alvorens tot strafrechtelijke vervolging is overgegaan. De aard en de ernst van de overtreding hebben de officier van justitie doen besluiten de zaak aan te brengen bij de rechtbank. Hoewel het hof zich zeer wel had kunnen voorstellen dat de officier van justitie bij de vervolgingsbeslissing een andere afweging had gemaakt gelet op de verstrekkende consequenties van een strafrechtelijke veroordeling voor de verdachte in zijn ambt als notaris, kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en weergegeven naar ’s hofs oordeel niet worden gesteld dat het instellen of voortzetten van de strafrechtelijke vervolging van de verdachte op de hiervoor genoemde gronden onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 februari 2009 tot en met 4 juni 2010, althans in de/het ja(a)r(en) 2009 en/of 2010, te Den Haag en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland,

(telkens) als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig advies/adviezen heeft gegeven of bijstand heeft verleend, bij het aan- en/of verkopen van (een) registergoed(eren),

(telkens) opzettelijk (in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme) verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transactie(s) niet of niet-onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de (voorgenomen) transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële Inlichtingen eenheid,

immers heeft hij (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van,

  • -

    een op of omstreeks 18 februari 2009 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de Escamplaan [huisnummer] te [postcode] 's-Gravenhage (Bijlage 4) en/of

  • -

    een op of omstreeks 30 november 2009 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de Stokroosstraat [huisnummer] te [postcode] 's-Gravenhage (Bijlage 5) en/of

  • -

    een op of omstreeks 1 december 2009 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de Stokroosstraat [huisnummer] te [postcode] 's-Gravenhage (Bijlage 6) en/of

  • -

    een op of omstreeks 6 april 2010 verrichte levering van het appartementsrecht van/betreffende de Reitzstraat [huisnummer] te [postcode] 's-Gravenhage (Bijlage 8) en/of

  • -

    (een) op of omstreeks 20 mei 2010 verrichte levering(en) van de/het appartementsrecht(en) van/betreffende de Mathenesserweg [huisnummer 1] te [postcode] Rotterdam en/of de Mathernesserweg [huisnummer 2] te [postcode] Rotterdam (Bijlage 7).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van

€ 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis, alsmede een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT