Uitspraak Nº 2200011720. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-24

Datum uitspraak:24 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL

Rolnummer: 22-000117-20

Parketnummer: 02-811856-10

Datum uitspraak: 24 juli 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Tussenarrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [datum] 1975,

thans gedetineerd in PI Dordrecht te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en – na verwijzing bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 december 2019 – het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 10 juli 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal ter terechtzitting naar voren is gebracht. Voorts heeft het hof kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.S. van der Biezen, naar voren is gebracht.

De voorzitter heeft, in aanvulling op het door de advocaat-generaal op voorhand aangekondigd noodzakelijk geacht onderzoek, ter terechtzitting van 10 juli 2020 medegedeeld mogelijk ambtshalve nader onderzoek op bepaalde punten te willen bevelen, waarna de advocaat-generaal en de verdediging in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren.

Onderzoek dat het Openbaar Ministerie nodig acht

De advocaat-generaal heeft bij brief van 7 juli 2020 aangegeven op de navolgende punten nader onderzoek noodzakelijk te achten:

  1. Nader onderzoek naar de financiële positie van de verdachte tijdens het WOD-traject;

  2. Het opmaken van een aanvullend proces-verbaal door het WOD-team;

  3. Het uitwerken en in het dossier voegen van de inhoud van de tapgesprekken op de verdachte en zijn vrouw.

Dit nader te verrichten onderzoek is ter terechtzitting van 10 juli 2020 toegelicht.

Voorwaardelijke onderzoekswensen van de verdediging

De verdediging heeft voorafgaand aan de regiezitting op 10 juli 2020 geen onderzoekswensen ingediend. Pas ter terechtzitting van 10 juli 2020 heeft de verdediging, naar aanleiding van de door het Openbaar Ministerie gedane onderzoekswensen, enkele (voorwaardelijke) verzoeken gedaan.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verzoeken van het Openbaar Ministerie dienen te worden afgewezen nu bij gebrek aan onderbouwing de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Subsidiair, indien de verzoeken van de advocaat-generaal zullen worden toegewezen dan wel indien het hof ambtshalve beslist de politieel informanten te horen, heeft de verdediging om de navolgende onderzoekswensen verzocht:

Het opmaken van een financiële reconstructie van het WOD-traject;

Het horen van [getuige], juridisch adviseur bij de Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid;

Het horen van de bij het WOD-traject betrokken officier van justitie.

Voor zover het hof beslist dat prof. dr. P.J. van Koppen als deskundige dient te worden benoemd, verzoekt de raadsman tevens:

Prof. dr. T. Derksen als deskundige te benoemen en te laten rapporteren omtrent de vraag of de bekentenis van de verdachte in vrijheid is afgelegd en of deze al dan niet betrouwbaar is.

Oordeel van het hof

Ad a) Financiële positie van de verdachte

De advocaat-generaal acht het noodzakelijk dat nader onderzoek wordt verricht naar de financiële positie van de verdachte tijdens het WOD-traject teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de vraag in hoeverre daadwerkelijk sprake was van een financiële noodsituatie die de verdachte ertoe zou hebben kunnen brengen te liegen over zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegd strafbare feit om zo de baan te krijgen. De advocaat-generaal heeft medegedeeld dat de financiële gegevens van de verdachte reeds zijn gevorderd en opgevraagd en dat op dit moment onderzoek wordt gedaan naar de financiële positie van de verdachte vanaf het moment dat hij zijn baan heeft verloren tot het moment dat hij op 18 september 2014 ten overstaan van de politieel informanten een bekennende verklaring heeft afgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen noodzaak bestaat om de financiële situatie van de verdachte nader te onderzoeken, omdat reeds in een eerder stadium een alles omvattend financieel onderzoek is verricht. Voorts heeft hij aangevoerd dat er geen aanleiding bestaat om de financiën van de huidige partner van de verdachte te onderzoeken, nu uit de BOB-stukken blijkt dat alle bankafschriften reeds zijn opgevraagd en de verdachte en zijn partner enkel over een ‘en/of-rekening’ beschikten.

Het hof stelt vast dat door het Openbaar Ministerie thans al onderzoek wordt verricht naar de financiële situatie van de verdachte ten tijde van het WOD-traject. Het hof acht het noodzakelijk dat hierbij tevens onderzoek wordt verricht naar de financiële positie van de partner van de verdachte, [naam partner verdachte], voor zover blijkt dat zij naast...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT