Uitspraak Nº 2200347519. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-30

Datum uitspraak:2020/07/30
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL

Rolnummer: 22-003475-19

Parketnummer: 09-818216-18

Datum uitspraak: 30 juli 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

16 juli 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met oplegging van bijzondere voorwaarden als in het vonnis waarvan beroep omschreven. Voorts is de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest. Omtrent de inbeslaggenomen personenauto is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 december 2018 te Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Provinciale Weg N210, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- op voornoemde weg te rijden terwijl hij drugs, te weten cannabis en/of cocaïne, had gebruikt en/of (vervolgens)

- de auto die door [slachtoffer 1] werd bestuurd (Volkswagen Polo, [A]) is gaan volgen en/of (vervolgens)

- meerdere auto's heeft ingehaald en/of daarbij een (dubbele) doorgetrokken streep heeft overschreden en/of (vervolgens)

- voor de Volkswagen Polo ([A]) is gaan rijden en/of (vervolgens)

- plotseling zijn snelheid heeft geminderd en/of zijn auto tot stilstand gebracht en/of hij, verdachte, is uitgestapt en/of zo [slachtoffer 1] heeft gedwongen de Volkswagen Polo ([A]) tot stilstand te brengen,

- waarna de bestuurder van een daarachter rijdend motorrijtuig (Mercedes-Benz, [B]) zijn motorrijtuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en/of (vervolgens) achterop de Volkswagen Polo ([A]) is gebotst,

waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]) werden gedood en/of waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond,

terwijl de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op of omstreeks 23 december 2018 te Lekkerkerk, gemeente Krimpenerwaard, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, in combinatie met een andere van deze aangewezen stoffen, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof, 1,3 micogram THC per liter bloed en 24 micogram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de onder 1 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid en van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, nu niet kan worden vastgesteld dat de waarborgen waarmee het onderzoek is omringd, zijn nageleefd.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging voorts betoogd dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de gedachtestreepjes

1. tot en met 4. In dit verband heeft de verdediging naar voren gebracht – kort en zakelijk weergegeven – dat ten aanzien van de onder die gedachtestreepjes tenlastegelegde gedragingen de voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) vereiste dubbele causaliteit ontbreekt. Voorts dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken van gedachtestreepje 5, voor zover het betreft het “plotseling de snelheid verminderen”, nu dit in de visie van de verdediging niet blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken.

Indien de verdachte van de eerste vier gedachtestreepjes en partieel van het vijfde gedachtestreepje wordt vrijgesproken, resteren het overige gedeelte van het vijfde en het zesde gedachtestreepje. Die resterende gedragingen leveren volgens de verdediging om redenen als in de pleitnotities omschreven geen roekeloosheid op als bedoeld in artikel 6 WVW 1994.

Het oordeel van het hof

(Partiële) vrijspraak

Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid en het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van

22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206, is van een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, WVW 1994, slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort onder meer dat het afgenomen bloedmonster zonder uitstel wordt toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan is belast. Het hof gaat er vanuit dat zulks evenzeer geldt voor een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, WVW 1994.

Het hof stelt op basis van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 28 december 2018 vast dat op

23 december 2018 bloed bij de verdachte is afgenomen en dat de bloedmonsters direct zijn verpakt en verzegeld en vervolgens zijn verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Den Haag.

Voorts staat op grond van het rapport van 8 februari 2019 van drs. P.G.M Zweipfenning, Apotheker, Toxicoloog (Eur. Reg. Tox.), Forensisch Toxicoloog NRGD, vast dat deze bloedmonsters voor het doen van onderzoek eerst op

4 januari 2019 door hem op zijn laboratorium in Mönchengladbach zijn ontvangen.

Hieruit volgt dat sprake is van een tijdsverloop van

twaalf dagen tussen het afnemen van het bloed van de verdachte en het ontvangen van de bloedmonsters door het laboratorium in Mönchengladbach.

Het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat zonder nadere gegevens, die ontbreken, niet is vast te stellen dat de bloedmonsters - in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer zo spoedig mogelijk bij het laboratorium in Mönchengladbach zijn bezorgd dan wel door de daarvoor verantwoordelijke opsporingsambtenaar daar naartoe zijn verzonden. Daardoor kan evenmin worden vastgesteld dat de strikte waarborgen waarmee de wetgever bovengenoemd onderzoek heeft omringd, zijn nageleefd. Niet naleving van de strikte waarborgen leidt ertoe dat de resultaten van het onderzoek niet tot het bewijs van het strafbare feit kunnen worden gebruikt, omdat geen sprake is van een onderzoek dat volgens de voorschriften is uitgevoerd.

Het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde e-mailbericht van 16 juli 2020 van drs. Zweipfenning, waarin staat vermeld dat de bloedmonsters op 24 december 2018 door het NFI zijn ontvangen en doorgestuurd naar het laboratorium in Mönchengladbach, waar het op 4 januari 2019 is aangekomen, kan niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat genoemd e-mailbericht niet is gelijk te stellen aan een schriftelijk bescheid, als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, terwijl de bepaling dat de bloedmonsters zo spoedig mogelijk worden bezorgd bij het laboratorium dat het onderzoek uitvoert, direct raakt aan de juistheid en betrouwbaarheid van het bloedonderzoek en derhalve hoge eisen moeten worden gesteld aan het bewijs dat aan die voorschriften is voldaan.

Dit brengt mee dat de verdachte van de onder

1. tenlastegelegde strafverzwarende grond en het onder

2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Bij repliek heeft de advocaat-generaal een (voorwaardelijk) verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak gedaan teneinde in de gelegenheid te worden gesteld een aanvullend proces-verbaal omtrent de gang van zaken rondom...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT