Uitspraak Nº 2200474418. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-15

Datum uitspraak:15 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL

Rolnummer: 22-004744-18

Parketnummer: 10-660088-18

Datum uitspraak: 15 juli 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres],

thans gedetineerd in [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 20 augustus 2019 en 1 juli 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2018 tot en met 16 februari 2018 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk (met kracht) (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken/gesneden in het rechter bovenbeen en/of het linker bovenbeen en/of de (boven)buik, althans (telkens) in het lichaam van [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] op 16 februari 2018 is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 14 februari 2018 te Rotterdam, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (te weten een steekwond (met een steekkanaal van ong. 20 cm) in het (rechter) bovenbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes te steken in het (rechter)bovenbeen (waardoor beide grote bloedvaten (ader en slagader) gekliefd zijn met (groot) bloedverlies tot gevolg), terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] (op 16 februari 2018) ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 14 februari 2018 te Rotterdam, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, mishandelend een persoon genaamd [slachtoffer 1], met een mes in het (rechter)bovenbeen heeft gestoken (waardoor een steekkanaal van ong. 20 cm is ontstaan en beide grote bloedvaten (ader en slagader) gekliefd zijn met (groot) bloedverlies tot gevolg), terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] (op 16 februari 2018) ten gevolge heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 3 september 2017, in elk geval in of omstreeks de maand september in 2017 te Capelle aan den IJssel zijn echtgenoot/echtgenote, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door deze meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, stompen en/of schoppen;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig het door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde requisitoir – gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en voorts primair dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest, en subsidiair dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Door de dochter van de verdachte, [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), is aangifte gedaan van mishandeling van het slachtoffer, haar moeder. Hoewel het slachtoffer daarbij aanwezig was en volgens de verhorende verbalisant bevestigde wat haar dochter verklaarde, heeft zij nadien, op 4 oktober 2018 bij verhoor door de rechter-commissaris, stellig ontkend door de verdachte te zijn mishandeld. De in hoger beroep gehoorde [getuige 2] heeft op 20 november 2019 tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat zij zelf nooit iets van een mishandeling heeft gezien, geen blauwe plekken bij het slachtoffer heeft gezien, het slachtoffer haar ook nooit iets heeft verteld daarover en dat zij ook van [getuige 1] nooit heeft gehoord dat de verdachte het slachtoffer zou mishandelen. Wel zou er veel bekvechten zijn geweest.

Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Inleiding

Op 14 februari 2018 omstreeks 22:25 uur is [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) neergestoken voor het wooncomplex aan de Mombassaplaats te Rotterdam waarbij hij in totaal vier keer is gestoken, links in de bovenbuik en aan de achterzijde van beide bovenbenen. Ten gevolge van het steekletsel in het rechter bovenbeen, waarbij een slagader en een ader werden doorklieft, is het slachtoffer – na massief bloedverlies en daaropvolgende medische verwikkelingen - op 16 februari 2018 overleden; hij was 56 jaar oud.

De verdachte was op de plaats delict op het moment dat het slachtoffer werd aangevallen. Direct daarop is hij gevlucht van die plaats. Op 17 februari 2018 heeft hij het land verlaten en is hij naar Iran gevlogen. Begin mei 2018 is de verdachte teruggekeerd en heeft hij zich op 14 mei 2018 bij de politie gemeld; aanhouding van de verdachte volgde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het slachtoffer heeft neergestoken. De verdachte had ook geen motief om het slachtoffer, met wie hij een zeer hechte en intense vriendschap had, te doden. De verdachte was ten tijde van of vlak voordat het slachtoffer is neergestoken wel aanwezig op de parkeerplaats aan de Mombassaplaats. Hij is echter gevlucht toen hij zag dat twee mannen, die tussen de geparkeerde auto’s vandaan sprongen, op het slachtoffer afrenden en/of voor hem gingen staan.

De verdediging heeft als alternatief scenario naar voren gebracht dat het deze mannen zijn geweest die het slachtoffer (moeten) hebben neergestoken. De verdachte heeft dit weliswaar niet zelf gezien, maar dit scenario wordt ondersteund door de verklaringen van twee getuigen die twee mannen hebben zien wegrennen. Volgens de verdachte is in dit verband van belang dat het slachtoffer criminele contacten had.

Daarnaast is er volgens de verdediging geen enkel forensisch bewijs dat in de richting van de verdachte wijst.

De verklaring van [getuige 1] dient voorts te worden uitgesloten van het bewijs, omdat die onbetrouwbaar moet worden geacht, onder meer omdat [getuige 1] niet is gewezen op een haar toekomend verschoningsrecht; gezien de bijzondere feiten en omstandigheden in deze zaak, had dat nadrukkelijk gemoeten.

Beoordeling door het hof

Verweer met betrekking tot de verklaring van dochter [getuige 1]

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat [getuige 1], hoewel daartoe geen wettelijke verplichting bestaat, bij gelegenheid van haar verhoor door de politie ten onrechte niet is gewezen op het verschoningsrecht. In dat kader acht de raadsman van belang dat [getuige 1] destijds minderjarig was en moest verklaren over de vermeende betrokkenheid van haar vader in de zaak van de dood van het slachtoffer terwijl in de familiesfeer sprake was van veel problemen.

De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat het verschoningsrecht als achterliggende bedoeling heeft dat getuigen gevrijwaard dienen te worden van het morele dilemma om enerzijds te moeten kiezen tussen het geven van bewijs en het vervolgens in gevaar brengen van de relatie met de verdachte en anderzijds het geven van ‘onbetrouwbaar bewijs’ om die relatie te beschermen.

Voor zover het betoog van de raadsman ertoe strekt dat de verklaringen van [getuige 1] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat zij niet is gewezen op het verschoningsrecht en haar verklaringen daardoor onbetrouwbaar moeten worden geacht, overweegt het hof allereerst dat geen rechtsregel ertoe dwingt dat de politie een getuige wijst op het verschoningsrecht en dat uit de enkele omstandigheid dat een dergelijke mededeling achterwege is gebleven niet kan worden afgeleid dat een verklaring onbetrouwbaar of van onwaarde is.

Voorts overweegt het hof dat uit het verloop van het verhoor van [getuige 1] (geboren [geboortedatum] 2000) en uit de door haar afgelegde verklaringen is af te leiden dat [getuige 1] juist heel goed in staat is geweest om een afweging te maken tussen het belang om de relatie met haar ouders te handhaven en het belang van de waarheidsvinding in deze strafzaak. Het hof constateert dat [getuige 1] uiteindelijk uit vrije wil heeft verklaard en dat zij zich daarbij ten volle bewust is geweest van het door de raadsman geschetste dilemma. Ook overigens oordeelt het hof – anders dan de raadsman betoogt - dat niet gezegd kan worden dat [getuige 1] haar verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd. Weliswaar is zij stevig en vasthoudend ondervraagd...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT