Uitspraak Nº 23-002527-19. Gerechtshof Amsterdam, 2020-07-24

Datum uitspraak:24 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002527-19

datum uitspraak: 24 juli 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 18-730593-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 27 augustus 2016 te of bij Spanga, (althans) in de gemeente Weststellingwerf, met [benadeelde], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid en/of verminderd bewustzijn en/of lichamelijke onmacht verkeerde, dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte

- meermalen, athans eenmaal, zijn penis in de vagina van die [benadeelde] gebracht en/of

- die [benadeelde] gebeft en/of

- de hand van de [benadeelde] vastgepakt en op zijn penis gelegd en zich (kort) met de hand van die [benadeelde] afgetrokken en/of

- de borsten en/of de vagina van die [benadeelde] betast, althans aangeraakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bespreking verweren ten aanzien van het bewijs en bewijsmotivering

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn, omdat de aangeefster gedetailleerd en consistent heeft verklaard en de verklaringen geen tegenstrijdigheden bevatten. Uit de rechtspsychologische analyse, die op verzoek van de verdediging is uitgevoerd door mr. dr. Rassin, volgt dat de verklaring van de aangeefster niet sterk diagnostisch is. Daarmee valt de bodem voor een bewezenverklaring weg. Reeds gelet daarop kan in de verklaring van de getuige [getuige 1] geen steunbewijs worden gezien. De verklaring van [getuige 1] kan op zich zelf beschouwd voorts niet dienen als steunbewijs, aangezien getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van deze getuige. De schriftelijke verklaring van [getuige 1] zoals weergegeven in het e-mailbericht van 8 september 2016 is op verzoek van de ouders van de aangeefster tot stand gekomen. Bovendien is haar verklaring dat het door haar waargenomen geluid van de caravan louter en alleen zou passen bij seks boud, als de getuige geen training of ervaring heeft in het herkennen van geluid. Voorts is niet te verklaren hoe het kan dat [getuige 1] geen stemmen heeft gehoord, terwijl de aangeefster heeft verklaard dat er wel is gesproken in de caravan. Daar komt bij dat er geen technisch bewijs is en dat het DNA-onderzoek noch belastend noch ontlastend is voor de verdachte. Reeds op grond van het voorgaande dient vrijspraak te volgen.

Voor zover het hof van oordeel is dat de seksuele handelingen wel kunnen worden bewezen, dient de verdachte te worden vrijgesproken, omdat de aangeefster niet in een toestand verkeerde waarin zij niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken.

Beoordeling hof

De aangeefster heeft op 29 augustus 2016 in een informatief gesprek zeden bij de politie verklaard dat de verdachte tegen haar zin seksuele handelingen met haar heeft verricht en dat zij niet bij machte was dat kenbaar te maken of daartegen iets te doen. Met recht heeft de verdediging daarop gewezen. Dit brengt echter niet zonder meer met zich dat die verklaringen als geheel als onbetrouwbaar ter zijde moeten worden gesteld en als zodanig niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Voor de beantwoording van de vraag of de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate betrouwbaar zijn om tot bewijs te kunnen worden gebruikt, is van belang of die verklaringen op essentiële onderdelen concreet, gedetailleerd en consistent zijn en of die onderdelen van haar verklaringen worden ondersteund door ander, objectief bewijsmateriaal. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Het hof stelt vast dat de aangeefster in de verschillende verklaringen uitvoerig heeft verklaard over de aard van de seksuele handelingen die zij van de verdachte heeft moeten dulden en verrichten en de omstandigheden waaronder dat gebeurde. Op essentiële onderdelen heeft zij concreet, gedetailleerd en consistent verklaard. Het hof heeft in die verklaringen geen onverklaarbare tegenstrijdigheden aangetroffen op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat hetgeen de aangeefster heeft verklaard niet op waarheid berust. De aangeefster heeft kort na het tenlastegelegde incident voor het eerst (informatief) verklaard en vervolgens...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT