Uitspraak Nº 23-004081-19. Gerechtshof Amsterdam, 2020-07-16

Datum uitspraak:16 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004081-19

datum uitspraak: 16 juli 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-650040-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1997,

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging voor zover deze ziet op de bepaalde jeugddetentie, de gedragsbeïnvloedende maatregel en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft het jeugdstrafrecht toegepast en de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: ‘GBM’ of ‘gedragsbeïnvloedende maatregel’) voor de duur van 12 maanden, subsidiair 12 maanden vervangende jeugddetentie.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, met toepassing van het jeugdstrafrecht, zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest en dat daarnaast de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) zal worden opgelegd.

De verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast en dat de GBM dient te worden opgelegd.

Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank met betrekking tot de motivering van de straf heeft overwogen in paragraaf 7.3 van het vonnis (“Het oordeel van de rechtbank”) tot en met de overwegingen onder “Toepassing jeugdstrafrecht en de mate van toerekeningsvatbaarheid” en neemt deze overwegingen over. Het hof stelt de navolgende overweging in plaats van de overweging van de rechtbank onder “de op te leggen straf”.

De op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft acht geslagen op het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: LJ&R) van 29 juni 2020, het reclasseringsadvies TBS met voorwaarden van het LJ&R van 25 juni 2020 en van hetgeen door de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens het LJ&R en door de verdachte op de terechtzitting naar voren is gebracht.

Uit het rapport van het LJ&R van 29 juni 2020 blijkt dat het LJ&R adviseert tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 12 maanden vanwege de ernst van het delict en de kans op herhaling als de verdachte niet wordt behandeld. De GBM wordt noodzakelijk geacht omdat er bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol en gezien zijn problemen verband houdend met werk, dakloosheid en justitie. Voorts heeft de verdachte een beperkt probleemoplossend vermogen. De behandeling dient te worden gericht op het onder controle krijgen van het middelengebruik, het leren omgaan met negatieve gedachten en het leren de impulsen beter onder controle te krijgen alsmede het leren een oplossing te vinden voor problemen waar de verdachte tegenaan loopt. De gedragsmatige aanpak van de GBM met de focus op behandeling met veel toezicht en een directe consequentie in de vorm van de time-out regeling sluit het beste aan bij de verdachte omdat de kans aanzienlijk is dat hij zich zal onttrekken aan de behandeling. Het LJ&R adviseert oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel met vervangende jeugddetentie en...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT