Uitspraak Nº 8169957 CV EXPL 19-24156. Rechtbank Amsterdam, 2020-07-27

Datum uitspraak:27 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8169957 CV EXPL 19-24156

vonnis van: 27 juli 2020

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. G.J. de Hosson

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

procederend voor zichzelf

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het procesdossier bestaat uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 november 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het instructievonnis van 27 januari 2020;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

[eiser] was in 2015 verdachte in een strafzaak en verbleef om die reden in voorlopige hechtenis.

1.2.

[gedaagde] , psycholoog van beroep, heeft via bemiddeling door de raadsman van [eiser] , mr. F.A.J. van Rijthoven (verder: Van Rijthoven), [eiser] psychologisch onderzocht.

1.3.

Bij e-mail van 20 juli 2015 om 12.46 uur schrijft [gedaagde] , voor zover relevant, het volgende aan Van Rijthoven:
“Bijgaand deze factuur, na betaling daarvan aan het onderzoek kan worden begonnen. (…) Vanaf het moment dat we kunnen starten, kunnen we binnen drie maanden het rapport leveren, zo hebben we afgesproken.”

1.4.

Hierop heeft Van Rijthoven op dezelfde dag om 16.08 uur het volgende geantwoord:
“Uw factuur ontbrak. Wilt u deze nog even doorzetten? Ik kreeg overigens van de heer [naam 1] een voorschotfactuur op mijn naam. Maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. Ik ben niet de opdrachtgever en het gaat niet om een voorschotfactuur, maar een vaste prijsafspraak tussen u en [eiser] die betaalt wordt via zijn pleegvader. De nota’s moeten dus al ten name van [eiser] komen te staan. (…)”

1.5.

Hierop heeft [gedaagde] een factuur opgemaakt op naam van [eiser] ten bedrage van € 2.420,00 inclusief btw. De factuur is op 24 juli 2015 door de pleegvader van [eiser] betaald.

1.6.

Op 11 september 2015 is de regiezitting in de strafzaak tegen [eiser] voor maximaal drie maanden aangehouden in verband met het psychologische onderzoek.

1.7.

Van Rijthoven heeft op 14 september 2015 aan [gedaagde] bericht dat de strafzaak drie maanden is aangehouden en gevraagd om meer duidelijkheid te verschaffen over de datum waarop de rapportage gereed zou zijn.

1.8.

Op 16 oktober 2015 heeft [gedaagde] mondeling aan [eiser] laten weten dat de termijn van drie maanden niet zou worden gehaald.

1.9.

Op 28 oktober 2015 heeft [gedaagde] per e-mail aan Van Rijthoven bericht dat de rapporten op maandag 18 januari klaar zijn.

1.10.

Op 9 december 2015 heeft [eiser] de opdracht schriftelijk opgezegd. In de opzeggingsbrief staat dat de reden van opzegging is dat [gedaagde] het rapport niet binnen de afgesproken termijn van drie maanden heeft afgerond.

1.11.

Naar aanleiding van de opzegging heeft [gedaagde] op 21 december 2015 aan Van Rijthoven en de pleegvader van [eiser] laten weten dat hij al enige maanden geleden is gestart met het onderzoek, hij het omvangrijke dossier heeft bestudeerd, uitgebreid overleg heeft gevoerd en vele malen contact heeft gehad met de advocaat van [eiser] . [gedaagde] schrijft dat hij het rapport volgens afspraak zal afmaken, dat wil zeggen dat deze medio januari naar de advocaat van [eiser] zal worden gestuurd.

1.12.

[eiser] heeft bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg een klacht ingediend tegen [gedaagde] . De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege was dat bepaalde klachten van [eiser] gegrond waren, te weten het door [gedaagde] zonder aanwijsbare reden overschrijden van de overeengekomen onderzoekstermijn en het niet willen accepteren van [eiser] ’ wens om de onderzoeksrelatie te verbreken. [gedaagde] is de maatregel ‘waarschuwing’ opgelegd.

1.13.

[gedaagde] is tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in beroep gegaan bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. In de beslissing van het Centraal Tuchtcollege staat, voor zover hier relevant:
“4.6 (…) het standpunt van de gz-psycholoog (...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT