Uitspraak Nº 8592023 CV EXPL 20-2846. Rechtbank Limburg, 2020-07-30

Datum uitspraak:30 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Limburg
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8592023 \ CV EXPL 20-2846

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 30 juli 2020

in de zaak van:

de stichting STICHTING WOONPUNT,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

gemachtigde mr. B.E.J.M. Tomlow,

tegen:

de stichting DOORWERK B.V.,

gevestigd te Brunssum,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen worden hierna Woonpunt, de bewindvoerder en [naam onderbewindgestelde] genoemd.

1 De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 23 juni 2020 met 13 producties,

- de mondelinge behandeling ter zitting van 16 juli 2020 waar partijen hun

standpunten nader hebben toegelicht onder het overleggen van een pleitnotitie (aan

de zijde van de bewindvoerder tevens conclusie van antwoord).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten
2.1.

Tussen Woonpunt en [naam onderbewindgestelde] is met ingang van 1 november 2012 een huurovereenkomst tot stand gekomen ter zake van de woonwagenstandplaats inclusief woonwagen en berging (hierna: het gehuurde), gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (productie 1 bij dagvaarding).

2.2.

Op deze huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene voorwaarden huurovereenkomst standplaats met woonwagen & berging d.d. 20 januari 2007 (productie 2 bij dagvaarding). In artikel 5.4. van de Algemene voorwaarden is bepaald:

“Het is huurder verboden in of op het gehuurde verdovende middelen, genoemd in de Opiumwet, te (laten) vervaardigen, te bereiden, te verwerken, te verkopen, af te leveren of te verstrekken dan wel huisgenoten of derden die zich in het gehuurde bevinden in de gelegenheid stellen verdovende middelen te gebruiken of te verhandelen. De aanwezigheid van een kwekerij in of op het gehuurde wordt beschouwd als bedrijfsmatige exploitatie ervan en is in strijd met de woonbestemming en leidt tot ontbinding van de huurovereenkomst.”

2.3.

Bij beschikking van 25 november 2015 van de kantonrechter van deze rechtbank zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam onderbewindgestelde] onder bewind gesteld (productie 12 bij dagvaarding).

2.4.

De burgemeester van Eijsden-Margraten heeft bij besluit van 12 juni 2019 het besluit genomen inhoudende de oplegging van een last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b lid 1 van de Opiumwet tot sluiting van de woonwagen aan de [adres] te [woonplaats] voor een periode van zes maanden.

2.5.

[naam onderbewindgestelde] heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend en bij de rechtbank een voorlopige voorziening gevorderd.

2.6.

Op 7 november 2019 heeft de burgemeester bij beslissing op bezwaar het primaire besluit bekrachtigd en bepaald dat het gehuurde met ingang van 6 januari 2020 voor de duur van zes maanden wordt gesloten (productie 3 bij dagvaarding). [naam onderbewindgestelde] heeft tegen de beslissing op bezwaar geen beroep aangetekend zodat het besluit formele rechtskracht heeft gekregen.

2.7.

In een brief van 19 maart 2020 aan [naam onderbewindgestelde] heeft Woonpunt met verwijzing naar het bepaalde in art. 7:231 lid 2 BW de huurovereenkomst buitengerechtelijk en met onmiddellijke ingang ontbonden en heeft zij aangekondigd dat [naam onderbewindgestelde] na de termijn van sluiting, in dit geval 6 juli 2020, niet langer het recht heeft om het gehuurde te gebruiken en in het gehuurde terug te keren (productie 4 bij dagvaarding).

2.8.

In die brief van 19 maart 2020 is aan [naam onderbewindgestelde] verzocht om binnen veertien dagen kenbaar te maken of hij met de buitengerechtelijke ontbinding instemt.

2.9.

Per e-mailbericht van 26 maart 2020 heeft de gemachtigde van [naam onderbewindgestelde] aan Woonpunt kenbaar gemaakt niet in te stemmen met de buitengerechtelijke ontbinding (productie 9 bij dagvaarding).

3 Het geschil
3.1.

Woonpunt vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de bewindvoerder veroordeelt om de standplaats met opstallen aan de [adres] te [woonplaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis ontruimd en verlaten te hebben met al hetgeen zich vanwege [naam onderbewindgestelde] daarin of daarop bevindt en al diegenen die zich daarin of daarop vanwege [naam onderbewindgestelde] bevinden, en onder afgifte van alle sleutels, de standplaats met...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT