Uitspraak Nº AWB - 10 _ 1059, 10_1060, 10_1061, 10_1062, 10_4908, 10_4909. Rechtbank Noord-Holland, 2015-09-30

Datum uitspraak:30 september 2015
Uitgevende instantie::Rechtbank Noord-Holland
 
GRATIS UITTREKSEL
Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 10/1059, 10/1060, 10/1061, 10/1062, 10/4908 en 10/4909

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2015 in de zaken tussen

[X] , eiser

(gemachtigde: mr. F.H.H. Sijbers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

1 Procesverloop

Navorderingsaanslag ib/pvv 2001 (HAA 10/1059)

1.1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.300.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 700.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.640.000, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van 100% ten bedrage van € 1.854.821. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 328.573.

1.1.2.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 januari 2010 de navorderingsaanslag ib/pvv 2001 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 514.151, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.192.375 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.634.496, en de boete verminderd tot een bedrag van € 470.635. De heffingsrente is verminderd tot een bedrag van € 229.705.

1.1.3.

Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroepschrift is gedagtekend 26 februari 2010 en op diezelfde dag per fax bij de rechtbank binnengekomen.

Navorderingsaanslag ib/pvv 2002 (HAA 10/1060)

1.2.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.000.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.640.000, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van 100% ten bedrage van € 12.493.577. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 1.800.897.

1.2.2.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 januari 2010 de navorderingsaanslag ib/pvv 2002 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.816.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.895.469 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.634.474, en de boete verminderd tot een bedrag van € 4.923.501. De heffingsrente is verminderd tot een bedrag van € 1.473.077.

1.2.3.

Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroepschrift is gedagtekend 26 februari 2010 en op diezelfde dag per fax bij de rechtbank binnengekomen.

Aanslag ib/pvv 2003 (HAA 10/1061)

1.3.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 70.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.640.000, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van 100% ten bedrage van € 8.300.945. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 949.190.

1.3.2.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 januari 2010 de aanslag ib/pvv 2003 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.343.437, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.658.303 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.634.448, en de boete verminderd tot een bedrag van € 3.730.890. De heffingsrente is verminderd tot een bedrag van € 895.777.

1.3.3.

Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroepschrift is gedagtekend 26 februari 2010 en op diezelfde dag per fax bij de rechtbank binnengekomen.

Aanslag ib/pvv 2004 (HAA 10/1062)

1.4.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.300.000, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 70.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.640.000, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van 100% ten bedrage van € 1.697.033. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 134.654.

1.4.2.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 29 januari 2010 de aanslag ib/pvv 2004 en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en de boete verminderd tot een bedrag van € 809.809.

1.4.3.

Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroepschrift is gedagtekend 26 februari 2010 en op diezelfde dag per fax bij de rechtbank binnengekomen.

Navorderingsaanslag ib/pvv 2004 (HAA 10/4908)

1.5.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.345.622, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 23.613.170 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.635.200, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 3.753.697. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 2.412.429.

1.5.2.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2010 de belastbare inkomens in de navorderingsaanslag ib/pvv 2004 en de boetebeschikking gehandhaafd. Het bedrag van de primitieve aanslag ten bedrage van € 1.697.033 is daarbij alsnog in mindering gebracht op de navorderingsaanslag. De heffingsrente is verminderd tot een bedrag van € 2.030.668.

1.5.3.

Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroepschrift is gedagtekend 10 september 2010 en op 13 september 2010 bij de rechtbank binnengekomen.

Aanslag ib/pvv 2005 (HAA 10/4909)

1.6.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.804.015, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 16.159 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.131.963. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 251.243.

1.6.2.

Verweerder heeft het daartegen gerichte bezwaar afgewezen bij uitspraak op bezwaar van 12 augustus 2010.

1.6.3.

Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroepschrift is gedagtekend 10 september 2010 en op 13 september 2010 bij de rechtbank binnengekomen.

Beroepsfase

1.7.1.

Eiser heeft de beroepen inzake de navorderingsaanslagen ib/pvv 2001 en 2002 en de aanslagen ib/pvv 2003 en 2004 (zaaknummers HAA 10/1059, 10/1060, 10/1061, 10/1062) gemotiveerd bij brief van 15 april 2010.

1.7.2.

Verweerder heeft met betrekking tot deze aanslagen een verweerschrift ingediend met dagtekening 19 mei 2010 en heeft daarbij op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.

1.8.1.

Eiser heeft de beroepen inzake de navorderingsaanslag ib/pvv 2004 en de aanslag ib/pvv 2005 (zaaknummers HAA 10/4908 en 10/4909) gemotiveerd bij brief van 20 oktober 2010.

1.8.2.

Verweerder heeft met betrekking tot deze aanslagen op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden op 17 februari 2011.

1.9.

Partijen hebben vóór de zitting de volgende nadere stukken ingediend:

- Eiser heeft met dagtekening 25 mei 2010 een brief tot herstel van typefouten in de motivering van 15 april 2010 ingediend.

- Verweerder heeft bij brieven met dagtekening 31 mei en 22 oktober 2010 nadere stukken ingediend.

- Eiser heeft bij brief van 15 december 2010 nadere stukken ingediend, waaronder een nieuwe machtiging wegens een nieuwe gemachtigde.

- Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 27 mei 2013 bericht dat een schikkingspoging niet heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst en verzocht de zaken niet meer aan te houden.

- Bij brief van 23 juli 2013 is aangegeven dat eiser wederom een nieuwe gemachtigde heeft (de huidige gemachtigde). Gemachtigde geeft aan dat hij de zaken verder zal voortzetten.

- Verweerder heeft bij brief van 27 oktober 2014 nadere stukken ingediend en een reactie op het betoog van de (voormalige) gemachtigde over het onderwerp ‘zaaksstukken’.

- Verweerder heeft bij brief van 12 november 2014 nadere stukken ingediend, onder meer inhoudende een aanvulling/herziening van de in het verweerschrift van 19 mei 2010 (zaaknummers HAA 10/1059, 10/1060, 10/1061 en 10/1062) ingenomen standpunten en verweer in de beroepen inzake de navorderingsaanslag ib/pvv 2004 en de aanslag ib/pvv 2005 (zaaknummers HAA 10/4908 en 10/4909).

- Eiser heeft bij brief van 12 november 2014 de rechtbank verzocht de op 14 januari 2015 geplande zitting aan te merken als een regiezitting teneinde vast te stellen wat de geschilpunten zijn en te bekijken op welke wijze de behandeling van de zaken voortgezet kan worden.

- Eiser heeft bij brief van 21 november 2014 een nadere reactie gegeven op de brief van verweerder van 27 oktober 2014 inzake de op de zaken betrekking hebbende stukken.

- Bij brief van 8 december 2014 heeft verweerder gereageerd op een vragenbrief van de rechtbank d.d. 2 december 2014 inzake de discussie over ontbrekende gedingstukken. Bij zijn antwoordbrief heeft verweerder nadere stukken als bijlagen gevoegd en voor enkele stukken een beroep gedaan op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

- Eiser heeft bij brief van 16 december 2014 gereageerd op het door verweerder gedane beroep op artikel 8:29 van de Awb.

- Eiser heeft bij brief van 23 december 2014 een zogenoemd tiendagenstuk met bijlagen ingediend.

- Eiser heeft bij brieven van 29 en 30 december 2014 een aantal getuigen opgeroepen voor de geplande mondelinge behandeling bij de rechtbank op 14 januari 2015 en heeft de rechtbank hiervan bij brief van 30 december 2014 bericht.

- Eiser heeft bij brieven van 7 januari 2015 opnieuw genoemde getuigen opgeroepen voor...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT