Uitspraak Nº AWB - 16 _ 5846. Rechtbank Amsterdam, 2017-07-05

Datum uitspraak:2017/07/05
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5846

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2017 in de zaak tussen [de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. A.R. van Tilborg),

en

De Burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Duits).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [betrokkene] , directeur van [bedrijf 1] te Amsterdam

(gemachtigde: mr. J.S. Haakmeester).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan [bedrijf 2] een exploitatievergunning verleend voor een alcohol schenkend bedrijf met terras voor horecabedrijf [naam bedrijf] aan de [adres 1] te Amsterdam.

Bij besluit van 23 juni 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan [bedrijf 1] een exploitatievergunning verleend voor een alcohol schenkend bedrijf zonder terras aan de [adres 1] te Amsterdam.

Bij besluit van 9 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen beide primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij [bedrijf 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser woont aan de [adres 2] te Amsterdam, in de nabijheid van het pand waarvoor de exploitatievergunningen in de primaire besluiten zijn verleend. In dit pand is [bedrijf 1] en restaurant [naam restaurant] gevestigd. Op 3 augustus 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de verleende exploitatievergunningen.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft verweerder een advies van de bezwaarschriftencommissie van 7 juni 2016 ten grondslag gelegd. Volgens verweerder is niet voldaan aan de in de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) gestelde eisen voor het indienen van een bezwaarschrift. Eiser is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van de verleende vergunningen hinder van enige betekenis ondervindt. Eiser wordt dan ook niet geraakt in een objectief bepaalbaar belang dat rechtstreeks bij het besluit tot vergunningverlening is betrokken. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder naar een uitspraak van 16 maart 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).1

Standpunten van partijen

3.1.

Eiser voert aan dat hij wel belanghebbende is. Hiertoe betoogt hij dat het door verweerder gehanteerde belanghebbende criterium is overgenomen uit een uitspraak in een milieuzaak en dat uit deze uitspraak niet volgt dat het daarin gehanteerde criterium ook van toepassing is in procedures over exploitatievergunningen. De Afdeling heeft namelijk nimmer overwogen dat dit het geval zou zijn. In een vergelijkbare, recente zaak heeft de Afdeling zelfs de ‘oude lijn’ nog gehanteerd, waarin iemand belanghebbende is indien zijn belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit.2 Eiser meent dat verweerder bovendien...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT