Uitspraak Nº AWB - 18 _ 3313. Rechtbank Noord-Holland, 2020-04-09

Datum uitspraak:2020/04/09
Uitgevende instantie::Rechtbank Noord-Holland
 
GRATIS UITTREKSEL
Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3313

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2020 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: G. Gieben),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Medemblik, verweerder.
Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 24 februari 2018 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak [A] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 326.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2018 bekendgemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020 te Alkmaar. Eiser is vertegenwoordigd door A. van den Dool, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door D. Swart en H. Vermeulen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning. De inhoud van de woning is 580 m³ en de oppervlakte van het perceel is 2.310 m². De woning is voorzien van een dakkapel en een berging met een oppervlakte van 406 m². De dakplaten van deze berging hebben een oppervlak van 487 m². In deze dakplaten is asbest aanwezig.

Geschil

2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2017 (hierna: de waardepeildatum).

3. Eiser bepleit een waarde van maximaal € 308.000 en stelt daartoe onder meer het volgende. Het vergelijkingsobject [B] is in een andere dorpskern gelegen en daardoor onvoldoende vergelijkbaar. De verkoopgegevens van de objecten [C] en [D] te [Z] tonen aan dat de waarde te hoog is vastgesteld. Het aangedragen object [E] is bruikbaar ter onderbouwing van een lagere waarde aangezien de verkoopprijs tot stand is gekomen binnen een jaar na de waardepeildatum. De woning is gelegen in het buitengebied van [Z] en grenst aan de achterzijde aan landbouwgrond en aan de voorzijde aan twee vakantieparken. Met de matige ligging van de woning is in onvoldoende mate rekening gehouden.

4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en verwijst onder meer naar de overgelegde matrix. Daarin zijn naast de gegevens van de woning, de verkoopgegevens vermeld van [B] te [f] , en [G] , [C] en [D] , alle te [Z] .

5. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

6. Op grond van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT