Uitspraak Nº AWB - 19 _ 3305. Rechtbank Limburg, 2020-07-28

Datum uitspraak:28 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Limburg
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/3305

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaak tussen RetailPlan B.V., eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.M.A. Huppertz).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2019 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het vestigen van reguliere detailhandel op de locatie [adres] in [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 13 november 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn ingediend op 9 december 2019.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

In de brief van 7 mei 2020 heeft de rechtbank medegedeeld dat zij de mogelijkheid ziet de zaak schriftelijk te behandelen en partijen vragen gesteld. In de brieven van 19 mei 2020 en

4 juni 2020 hebben respectievelijk eiseres en verweerder deze vragen van de rechtbank beantwoord. De rechtbank heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld op elkaars standpunt te reageren. In de brieven van 18 juni 2020 en 7 juli 2020 hebben respectievelijk eiseres en verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft aangegeven voornemens te zijn het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Partijen hebben niet binnen de gegeven termijn gereageerd op dit voornemen. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om het besluit van verweerder tot weigering van de door eiseres gevraagde omgevingsvergunning om op het perceel reguliere detailhandel te vestigen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat het vestigen van reguliere detailhandel op het perceel volgens hem in strijd is met het bestemmingsplan en eiseres zich niet kan beroepen op het overgangsrecht. Het is niet mogelijk binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Verweerder wil geen gebruik maken van de mogelijkheid om buitenplans af te wijken, omdat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij stelt onder meer dat het vestigen van reguliere detailhandel op het perceel niet in strijd is met de bestemming en, als dat al het geval is, zij zich kan beroepen op het overgangsrecht. Subsidiair stelt zij dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat buitenplans afwijken in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Feiten

2. Op 19 april 2019 heeft [naam] namens eiseres een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om op het perceel reguliere detailhandel te vestigen. Eiseres is kandidaat koper van het perceel. In de aanvraag is vermeld dat het voorgenomen gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, omdat ter plaatse enkel detailhandel in meubelen is vergund, terwijl eiseres er reguliere detailhandel wil vestigen. Omdat reguliere detailhandel meer parkeerplaatsen vraagt dan een meubelzaak, zijn belendende percelen aan het project toegevoegd, zodat in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.

3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “ Hoensbroek Oost” , onherroepelijk geworden op 17 september 2009 (hierna: het bestemmingsplan). Op een deel van de gronden van het perceel rust de bestemming “Wonen” en op een ander deel de bestemming “Erf”.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning geweigerd op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De activiteit is volgens verweerder namelijk in strijd met het bestemmingplan en vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo is niet gewenst. Er is sprake van strijd met het bestemmingsplan, omdat een groot deel van het pand dat eiseres voor detailhandel wil gebruiken, gelegen is op gronden waarop de bestemming “Erf” rust, waarbinnen de differentiatie “Detailhandel” niet geldt. Op deze gronden is detailhandel niet toegestaan. Op het deel van de gronden van het perceel dat eiseres als parkeerplaats wil gaan gebruiken rust de bestemming “Wonen” en “Erf”. Die gronden mogen niet worden gebruikt als parkeerplaats voor detailhandel. Anders dan eiseres in haar aanvraag stelt, is detailhandel in meubelen ter plaatse niet langer mogelijk, omdat deze vorm van detailhandel niet (meer) wordt gedekt door het overgangsrecht, aldus verweerder. Vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1⁰, van de Wabo is niet mogelijk. Het is namelijk niet mogelijk met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels af te wijken van het bestemmingsplan. Vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2⁰, van de Wabo vindt verweerder niet gewenst. Hoewel het op grond van artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) mogelijk is af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van deze aanvraag, acht verweerder dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij onder meer op de Retailstructuurvisie 2010-2020 (hierna: de retailstructuurvisie) en de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (hierna: de SVREZL).

5. Eisers heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij voert aan – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in beroep nog van belang – dat de activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat op gronden waarop de bestemming “Erf” rust detailhandel niet is toegestaan. Ook gaat verweerder er ten onrechte vanuit dat op de gronden waarop de bestemmingen “Wonen” en “Erf” rusten niet als parkeerplaats voor de detailhandel gebruikt mogen worden. Eiseres betwist dat het overgangsrecht is komen te vervallen, omdat het pand korter dan één jaar heeft leeggestaan.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de afwijzing van de gevraagde omgevingsvergunning gehandhaafd.

7. Eisers is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank bespreekt de aangevoerde gronden hierna inhoudelijk.

8. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

De inhoudelijke beoordeling

9. De rechtbank moet beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de activiteit – het vestigen van reguliere detailhandel op het perceel – in strijd is met het bestemmingsplan. Bij deze beoordeling speelt ook de vraag of eiseres zich op het overgangsrecht kan beroepen. Indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, inclusief het daarin opgenomen overgangsrecht, moet de rechtbank beoordelen of verweerder terecht heeft gesteld dat hij geen omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo heeft kunnen verlenen.

Is de activiteit in strijd met de bestemming?

10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de in dat bestemmingsplan aangewezen bestemming en de daarbij behorende regels bepalend. Het toetsingskader wordt daarbij gevormd door regels die specifiek invulling geven aan een bestemming. De inleidende begripsbepalingen zijn geen regels in deze zin. Deze regels kunnen behulpzaam zijn bij de uitleg van begrippen die in de bestemmingsregels of de bouwregels worden gehanteerd. Hieraan kan echter niet zelfstandig worden getoetst bij de beoordeling van bouwaanvragen (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3264 en van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682).

11. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling dienen planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT