Uitspraak Nº AWB 20/3602. Rechtbank Den Haag, 2020-07-29

Datum uitspraak:29 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3602

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2020 in de zaak tussen [eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, via een videoverbinding, plaatsgevonden op 16 juli 2020. Zowel eiseres als verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Pakistaanse nationaliteit en vraagt een visum voor kort verblijf bij [referent] (referent). Het doel van haar verblijf is ‘familie- en vriendenbezoek’.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit afgewezen op grond van artikel 32, lid 1, onder a) ii en onder b) van de Visumcode. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt te beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor haar terugreis naar Pakistan. Niet is gebleken dat referent garant kan staan voor de middelen van bestaan. Verder bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum. Eiseres heeft niet aangetoond in Pakistan over een regelmatig en substantieel inkomen te beschikking om zelfstandig in haar onderhoud te voorzien.

Na het indienen van de gronden van bezwaar heeft verweerder de aanvraag van eiseres in het bestreden besluit afgewezen op grond van artikel 32, lid 1, onder a) vi van de Visumcode en artikel 2, lid 21 van de Schengengrenscode. Aan deze afwijzing ligt ten grondslag dat eiseres niet in aanmerking komt voor een visum, omdat door de COVID-19-pandemie tijdelijke beperkingen gelden ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de Europese Unie (EU) ter bescherming van de volksgezondheid.

Bestuurlijke heroverweging

3. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet mag baseren op een andere weigeringsgrond dan het primaire besluit.

3.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaatsvindt. En dat de bezwaarschriftenprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Door het hanteren van een niet eerder in de procedure ingeroepen weigeringsgrond wordt niet buiten de grenzen getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit daarom een nieuwe weigeringsgrond mogen hanteren en was verweerder niet gehouden om uitsluitend op de door eiseres ingediende bezwaargronden te reageren. De beroepsgrond slaagt niet.

COVID-19-pandemie en individuele beoordeling van de visumaanvraag

4. Eiseres voert aan dat haar visumaanvraag op individueel niveau door verweerder moet worden beoordeeld. Er is sprake van een wereldwijde pandemie en er gelden tijdelijke restricties op het gebied van reizen naar de EU voor iedereen, zo ook...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT