Uitspraak Nº BK-16/00096 en BK-16/00097. Gerechtshof Den Haag, 2016-09-28

Datum uitspraak:28 september 2016
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00096 en BK-16/00097

Uitspraak van 28 september 2016

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank

Den Haag van 6 januari 2016, nummers SGR 15/4763 en SGR 15/4765, betreffende de

onder 1.1 vermelde naheffingsaanslagen.

Naheffingsaanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg
1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 27 april 2007 een naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 en op 4 april 2008 een naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 2006 opgelegd.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar van 29 mei 2015 zijn de naheffingsaanslagen verminderd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep
2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof van mr. [Y] op 15 augustus 2016 een nader stuk ontvangen waarvan op dezelfde dag een afschrift aan de Inspecteur is gezonden.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 augustus 2016 in Den Haag. Beide partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het Hof heeft na afloop van de zitting van mr.

[Y] op 22 augustus 2016 een faxbericht met bijlage ontvangen waarvan een afschrift ter kennisneming is gezonden aan de Inspecteur.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

De naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005 is opgelegd op 27 april 2007 tot een totaalbedrag van € 1.100.814 inclusief heffingsrente.

3.2.

De naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 is opgelegd op 4 april 2008 tot een totaalbedrag van € 191.137.

3.3.

De naheffingsaanslagen zijn opgelegd na een boekenonderzoek bij belanghebbende. Het rapport van het boekenonderzoek dateert van 14 maart 2007.

3.4.

Mevrouw mr. [Y] heeft namens belanghebbende bij de Inspecteur bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. Vervolgens heeft tussen partijen de volgende correspondentie plaatsgevonden: brieven van 14 juni 2007, 3 december 2008, 12 augustus 2010, 18 maart 2011, 3 augustus 2011, 6 februari 2012 en 26 april 2012. Op 29 mei 2015 is uitspraak op bezwaar gedaan.

3.5.

[A] was van omstreeks 1 augustus 2000 tot 12 september 2008 onmiddellijk dan wel middellijk via een houdstervennootschap enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende. Vanaf 12 september 2008 is [B] enig aandeelhouder en bestuurder. Belanghebbende is volgens opgave van de Kamer van Koophandel op 11 januari 2012 opgehouden te bestaan wegens verondersteld gebrek aan baten.

3.6.

[A] is, nadat het voornemen daartoe door hem is kenbaar gemaakt op 22 november 2008, door de Ontvanger als bestuurder aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen op grond van de Invorderingswet 1990.

3.7.

Op 7 juli 2015 heeft [A] , handelend als voormalig directeur van belanghebbende een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT