Uitspraak Nº BK-19/00568 t/m BK-19/00572. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-21

Datum uitspraak:21 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-19/00568 t/m BK-19/00572

Uitspraak van 21 juli 2020

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: M.J. van Dam)

en

[inspecteur]

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 juli 2019, nummers SGR 18/1537, SGR 18/1538, SGR 18/1539, SGR 18/2098 en SGR 18/3938.

Procesverloop

BK-19/00568 (2010)

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 20.763. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 199 aan heffingsrente in rekening gebracht.

BK-19/00569 (2011)

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 20.873. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 188 aan heffingsrente in rekening gebracht.

BK-19/00570 (2012)

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 22.646. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 466 aan belastingrente in rekening gebracht.

BK-19/00571 (2013)

1.4.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 23.601. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 428 aan belastingrente in rekening gebracht.

BK-19/00572 (2014)

1.5.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 26.034. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 80 aan belastingrente in rekening gebracht.

BK-19/00568, BK-19/00569, BK-19/00570 en BK-19/00572

1.6.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de beschikkingen heffings- en belastingrente voor de jaren 2010, 2011, 2012 en 2014 afgewezen.

BK-19/00571

1.7.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de beschikking belastingrente voor het jaar 2013 niet-ontvankelijk verklaard.

Alle zaken

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 512 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden.

1.9.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier voor alle zaken tezamen een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.10.

Een onderzoek ter zitting heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten. Op verzoek van belanghebbende is hij in de gelegenheid gesteld een conclusie van repliek in te dienen, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

1.11.

In beroep en hoger beroep zijn de zaken van belanghebbende betreffende de aanslagen inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2014 (BK-19/00568 tot en met BK-19/0072) alsmede de beslissing omtrent het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2013 (BK-19/00573) gezamenlijk behandeld. Hetgeen aangevoerd wordt in één van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken, tenzij het specifiek op de betreffende zaak betrekking heeft.

Vaststaande feiten
2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in de jaren 2010 tot en met 2014 in Nederland.

2.2.

Van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 is belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam bij [A SA] [A SA, gevestigd te Q] , Luxemburg (de SA).

2.3.

Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 aan boord van het motorvrachtschip [B] (het schip). Vanaf 2006 is het schip eigendom van [B] [...] B.V. te [P] (de BV). Gedurende de periode van 19 mei 2003 tot en met 26 juli 2017 is het schip voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte.

2.4.

Belanghebbende heeft aan boord van het schip gevaren in Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland.

2.5.

Het (voormalige) Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 20 augustus 2007 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Wet vervoer binnenvaart gegeven waarop de SA als exploitant en de BV als eigenaar van het schip staan vermeld. Deze Rijnvaartverklaring is per 30 september 2009 ingetrokken en nadien is met betrekking tot het schip geen Rijnvaartverklaring meer gegeven.

2.6.

De bevoegde Luxemburgse autoriteit, Union des Caisses de Maladie, heeft aan belanghebbende op 2 februari 2005 een E106‑verklaring gegeven waaruit blijkt dat belanghebbende vanaf 1 januari 2005 in Luxemburg recht heeft op prestaties uit hoofde van ziekte.

2.7.

Op 24 maart 2006 heeft de bevoegde Luxemburgse autoriteit, Centre Commun de la sécurité sociale, aan belanghebbende een E101‑verklaring gegeven waarin per 1 januari 2005 de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing wordt verklaard. Deze verklaring is gegeven op grond van Titel II van Verordening (EEG) 1408/71. De E101-verklaring vermeldt als einddatum “indéterminé”.

2.8.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) noch de bevoegde Luxemburgse autoriteiten hebben aan belanghebbende een A1-verklaring gegeven die betrekking heeft op de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014.

2.9.

Van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 is belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam bij [C V.O.F.] , gevestigd te [P] .

2.10.

Bij besluit van 15 juni 2018 heeft de SVB bepaald dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 onderworpen is aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. In het besluit is onder meer het volgende opgenomen:

“Wanneer u in meerdere landen van de Europese Unie werkt, moet worden bepaald welke sociale zekerheidswetgeving op u van toepassing is. Op grond van artikel 16 van Verordening EG nr. 987/2009 moet de aangewezen instantie in het woonland dit vaststellen. In Nederland is dit de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Uw gemachtigde heeft ons gevraagd om vast te stellen welke sociale zekerheidswetgeving op u van toepassing is over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014.

(…)

1 januari 2010 tot en met 31 maart 2012

Uit uw arbeidscontract blijkt dat u sinds 1januari 2005 een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd bij [A SA] te Luxemburg heeft. U werkte op het binnenvaartschip (motorvrachtschip) [B] met [[...]] . Dit schip is in eigendom van — en wordt geëxploiteerd door — [B] [...] BV, gevestigd in Nederland. Uit onze informatie blijkt dat u heeft gevaren in Nederland, Duitsland, België, Zwitserland en Frankrijk. Op grond van artikel 11 lid 2 Rijnvarendenverdrag (RVV) is op u de Nederlandse wetgeving van toepassing.

(…)

1 april 2012 tot en met 31 oktober 2014

Op grond van artikel 16, eerste lid van Verordening (EG) nr. 883/2004 in verbinding met artikel 4, lid 2, Rijnvarendenovereenkomst is op u de Nederlandse wetgeving van toepassing, omdat het rijnvaartschip waarop u werkzaamheden heeft verricht, wordt geëxploiteerd door een onderneming die in Nederland is gevestigd.”

2.11.

De SVB heeft belanghebbendes bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam. In de uitspraak van 27 januari 2020, nr. ROT 19/411, ECLI:NL:RBROT:2020:513, heeft die Rechtbank geoordeeld dat de SVB terecht heeft vastgesteld dat op belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 het Nederlandse sociale verzekeringsrecht van toepassing is. Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

2.12.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2010 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.006:

Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid

€ 22.870

(Aandeel) belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 2.864

€ 20.006

In de aangifte heeft belanghebbende verklaard voor het gehele jaar 2010 niet verplicht verzekerd te zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.13.

In de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 is het belastbare inkomen uit werk en woning in afwijking van de aangifte vastgesteld op € 20.763. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor het gehele jaar aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.14.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT