Uitspraak Nº BK-19/00573. Gerechtshof Den Haag, 2020-07-21

Datum uitspraak:21 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00573

Uitspraak van 21 juli 2020

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [woonplaats], belanghebbende,

(gemachtigde: M.J. van Dam)

en

[de inspecteur]

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 juli 2019, nummer SGR 18/7212.

Procesverloop
1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 23.601. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 428 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de beschikking belastingrente voor het jaar 2013 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2013 ambtshalve te verminderen.

1.4.

De Inspecteur heeft belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.

1.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de afwijzing van de ambtshalve vermindering afgewezen.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de in 1.5 genoemde uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.7.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Een onderzoek ter zitting heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten. Op verzoek van belanghebbende is belanghebbende in de gelegenheid gesteld een conclusie van repliek in te dienen, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

1.9.

In beroep en hoger beroep zijn de zaken van belanghebbende betreffende de aanslagen inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2014 (BK-19/00568 tot en met BK-19/00572) alsmede de beslissing omtrent het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2013 (BK-19/00573) gezamenlijk behandeld. Hetgeen aangevoerd wordt in één van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken, tenzij het specifiek op de betreffende zaak betrekking heeft.

Vaststaande feiten
2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in het jaar 2013 in Nederland.

2.2.

Gedurende het jaar 2013 is belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam bij [A SA], gevestigd te [Q], Luxemburg (de SA).

2.3.

Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden gedurende het jaar 2013 aan boord van het motorvrachtschip [B] (het schip). Vanaf 2006 is het schip eigendom van [B] […] B.V. te [P] (de BV). Gedurende de periode van 19 mei 2003 tot en met 26 juli 2017 is het schip voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte.

2.4.

Belanghebbende heeft aan boord van het schip gevaren in Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland.

2.5.

Het (voormalige) Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 20 augustus 2007 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven waarop de SA als exploitant en de BV als eigenaar van het schip staan vermeld. Deze Rijnvaartverklaring is per 30 september 2009 ingetrokken en nadien is met betrekking tot het schip geen Rijnvaartverklaring meer afgegeven.

2.6.

De bevoegde Luxemburgse autoriteit, Union des Caisses de Maladie, heeft aan belanghebbende op 2 februari 2005 een E106‑verklaring gegeven waaruit blijkt dat belanghebbende vanaf 1 januari 2005 in Luxemburg recht heeft op prestaties uit hoofde van ziekte.

2.7.

Op 24 maart 2006 heeft de bevoegde Luxemburgse autoriteit, Centre Commun de la sécurité sociale, aan belanghebbende een E101‑verklaring gegeven waarin per 1 januari 2005 de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing wordt verklaard. Deze verklaring is gegeven op grond van Titel II van Verordening (EEG) 1408/71. De E101-verklaring vermeldt als einddatum “indéterminé”.

2.8.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) noch de bevoegde Luxemburgse autoriteiten hebben aan belanghebbende een A1-verklaring gegeven die betrekking heeft op het jaar 2013.

2.9.

Bij besluit van 15 juni 2018 heeft de SVB bepaald dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 onderworpen is aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. In het besluit is onder meer het volgende opgenomen:

“Wanneer u in meerdere landen van de Europese Unie werkt, moet worden bepaald welke sociale zekerheidswetgeving op u van toepassing is. Op grond van artikel 16 van Verordening EG nr. 987/2009 moet de aangewezen instantie in het woonland dit vaststellen. In Nederland is dit de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Uw gemachtigde heeft ons gevraagd om vast te stellen welke sociale zekerheidswetgeving op u van toepassing is over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014.

(…)

1 april 2012 tot en met 31 oktober 2014

Op grond van artikel 16, eerste lid van Verordening (EG) nr. 883/2004 in verbinding met artikel 4, lid 2, Rijnvarendenovereenkomst is op u de Nederlandse wetgeving van toepassing, omdat het rijnvaartschip waarop u werkzaamheden heeft verricht, wordt geëxploiteerd door een onderneming die in Nederland is gevestigd.”

2.10.

De SVB heeft belanghebbendes bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam. In de uitspraak van 27 januari 2020, nr. ROT 19/411, ECLI:NL:RBROT:2020:513, heeft die Rechtbank geoordeeld dat de SVB terecht heeft vastgesteld dat op belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 het Nederlandse sociale verzekeringsrecht van toepassing is. Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

2.11.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.050:

Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid

€ 27.072

(Aandeel) belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 3.022

€ 24.050

In de aangifte heeft belanghebbende verklaard voor het gehele jaar 2013 niet verplicht verzekerd te zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.12.

In de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 is het belastbare inkomen uit werk en woning in afwijking van de aangifte vastgesteld op € 23.601. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor het gehele jaar aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.13.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de beschikking belastingrente voor het jaar 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juli 2019, nummers SGR 18/1573, SGR 18/1538, SGR 18/1539, SGR 18/2098 en SGR 18/3938, onder meer het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar tegen deze aanslag ongegrond verklaard. Belanghebbende is van deze uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, het volgende overwogen:

Bevoegdheid

10. Op grond van artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen is de rijksbelastingdienst belast met de heffing van de premies voor de volksverzekeringen. De premies voor de volksverzekeringen worden op grond van artikel 58 van voornoemde wet bij wege van aanslag geheven. Artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt vervolgens dat de aanslag door de inspecteur wordt vastgesteld. De Belastingdienst is derhalve bevoegd om premie volksverzekeringen te heffen. Daaraan doet niet af dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voor Nederland bevoegde autoriteit is om een zogenoemde regularisatieprocedure te starten (vgl. Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:803, naar aanleiding van Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6785).

Premieplicht

11. Het uitgangspunt is dat een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland is verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten. Op grond van artikel 6a van de AOW wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

12. Vaststaat dat [belanghebbende] in 2013 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop is [belanghebbende] voor dat jaar aan te merken als een Nederlandse ingezetene en is hij op grond van het Nederlandse nationale recht in beginsel van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

13. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. De rechtbank overweegt dat, nu [belanghebbende] zich beroept...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT