Uitspraak Nº C/10/519865 / HA ZA 17-123. Rechtbank Rotterdam, 2018-07-11

Datum uitspraak:11 juli 2018
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/519865 / HA ZA 17-123

Vonnis van 11 juli 2018

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R. Slotboom te Rotterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.H. Nierman te Hellevoetsluis.

Partijen zullen hierna Rabobank, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 januari 2017, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties van [gedaagde 1] ;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties van [gedaagde 2] ;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van Rabobank;

  • -

    de brief van de rechtbank van 17 mei 2017 waarbij partijen zijn opgeroepen voor de comparitie van partijen van 17 mei 2017;

  • -

    de brief van de rechtbank van 25 juli 2017 waarbij de rechtbank partijen heeft meegedeeld welke onderwerpen onder meer zullen worden besproken ter comparitie;

  • -

    de ter voorbereiding op de comparitie door [gedaagde 2] op 6 september 2017 toegezonden schriftelijke reactie;

  • -

    de akte ten behoeve van de comparitie van partijen van [gedaagde 1] ;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 20 september 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten
2.1.

[gedaagde 1] was bestuurder en enig aandeelhouder van TH Holding B.V. TH Holding hield onder meer alle aandelen in Védé Phila B.V. (hierna: Védé). TH Holding en VéDé hielden zich bezig met de in- en verkoop van postzegels.

2.2.

TH Holding B.V. en VéDé werden gefinancierd door Rabobank.

2.3.

In het kader van de onder 2.1 bedoelde financiering heeft [gedaagde 1] zich in 2005 borg gesteld tot een bedrag van € 200.000,- en in 2008 tot een bedrag van € 500.000,-.

2.4.

In 2009 is de TH Holding B.V. groep financieel in zwaar weer geraakt. Op advies van Rabobank heeft [gedaagde 1] de heer [persoon 2] van Kruger & Partners te Rotterdam in juni 2010 opdracht gegeven om de ondernemingen van [gedaagde 1] te begeleiden.

2.5.

Op 11 maart 2011 is TH Holding B.V. en op 22 maart 2011 is VéDé (en de twee andere dochterondernemingen van TH Holding B.V.) op verzoek van [gedaagde 1] failliet verklaard. De vordering van Rabobank op TH Holding B.V. en VéDé bedroeg op dat moment € 635.000,-.

2.6.

In 2011 zijn Stichting BESEF en VDC Phila Group B.V. opgericht. De postzegelcollectie die eigendom was van VéDé is voor € 635.000,- aan stichting BESEF en VDC Phila Group B.V. verkocht. In dat kader heeft Rabobank drie leningen aan Stichting BESEF en VDC Phila Group B.V. verstrekt van in totaal € 650.000,-.

2.7.

Ter meerdere zekerheid van hetgeen Stichting BESEF en VDC Phila Group B.V. aan Rabobank uit hoofde van de onder 2.6 bedoelde leningen verschuldigd zijn, heeft Rabobank verlangd dat [gedaagde 1] in privé een borgtocht zou verstrekken te behoeve van Rabobank tot een bedrag van € 650.000,-. Bij akte van 13 juli 2011 heeft [gedaagde 1] die borgtocht verstrekt.

2.8.

In het kader van de onder 2.6 bedoelde financiering zijn ook borgtochten afgegeven door de Staat, in het kader van het Kaderbesluit EX-subsidies.

2.9.

In juli 2013 hebben Stichting BESEF en VDC Phila Group B.V. aan Rabobank meegedeeld dat zij genoodzaakt waren hun werkzaamheden te staken.

2.10.

Bij brief van 16 augustus 2013 heeft Rabobank de kredietovereenkomst met Stichting BESEF en VDC Phila Group B.V. met onmiddellijke ingang opgezegd en Stichting BESEF en VDC Phila Group B.V. gesommeerd tot betaling van de totale schuld van op dat moment € 695.450,66. Na uitwinning van alle zekerheden resteerde een vordering van € 659.824,- .

2.11.

Op 8 oktober 2013 is het faillissement van VDC Phila Group B.V. uitgesproken.

2.12.

Bij brief van 27 december 2013 heeft Rabobank [gedaagde 1] verzocht zijn borgtochtverplichting na te komen en aan Rabobank een bedrag van € 650.000,- te voldoen.

2.13.

[gedaagde 1] was getrouwd met [gedaagde 2] .

2.14.

Op 11 november 2015 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanwege een voorgenomen echtscheiding een echtscheidingsconvenant ondertekend. Daarin is in het kader van de verdeling overeengekomen dat [gedaagde 1] de hem toekomende helft van de echtelijke woning aan de [adres] en de hem toekomende helft van het kantoorpand aan de [adres] te Rotterdam aan [gedaagde 2] zou leveren. Voorts is daarin vastgelegd dat [gedaagde 2] een vordering kreeg van € 160.000,- op [gedaagde 1] wegens onderbedeling.

2.15.

De echtscheiding van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is uitgesproken bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 december 2015.

2.16.

De akte van verdeling vanwege de onder 2.14 bedoelde verdeling is op 14 september 2016 gepasseerd.

2.17.

Het huwelijk tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is op 22 april 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 8 december 2015 bij de Burgerlijke Stand te Rotterdam.

2.18.

Bij verzoekschrift van 6 januari 2017 heeft Rabobank de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om verschillende beslagen ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te leggen onder onder meer ING Bank N.V. en op de onroerende goederen aan de [adres] en [adres] te [woonplaats] en de [adres] te [woonplaats] . In het verzoekschrift heeft Rabobank de vernietiging van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van 14 september 2016 ingeroepen. De voorzieningenrechter heeft het verlof op 6 januari 2017 verleend en daarbij de vordering, inclusief rente en kosten, begroot op € 810.000,-.

3 De vordering in conventie
3.1.

Rabobank vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1) de akte van verdeling van 14 september 2016 tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te vernietigen;

2) [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 650.000,- vermeerderd met rente en kosten;.

3) [gedaagde 2] te veroordelen tot vergoeding van de schade die Rabobank lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] , die schade op te maken bij staat;

4) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 5.025, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
5) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de beslagkosten ad € 1.281,52,

alles met hoofdelijke veroordeling voorts van [gedaagde 1] en in de procekosten en nakosten.

3.2.

Rabobank heeft aan deze vordering het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

De levering van de onverdeelde helft van het onroerend goed aan de [adres] en [adres] te [woonplaats] kwalificeert als paulianeus handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De levering van deze onroerende goederen aan [gedaagde 2] is een onverplichte rechtshandeling. [gedaagde 2] wist dat Rabobank hierdoor zou worden benadeeld in haar verhaalspositie jegens [gedaagde 1] . Als gevolg van deze handeling kan Rabobank zich niet meer verhalen op het aandeel van [gedaagde 1] in dit onroerend goed.
3.2.2. Het onder 3.2.1 bedoelde paulianeuze handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] levert op grond van artikel 3:45 BW een actio pauliana op. Bij het beslagrekest van 6 januari 2017 heeft Rabobank reeds de vernietiging van de akte van verdeling van 14 september 2016 ingeroepen.

3.2.3.

Het handelen van [gedaagde 2] levert voorts een onrechtmatige daad van [gedaagde 2] jegens Rabobank op. Op grond van artikel 6:162 BW dient [gedaagde 2] de schade die Rabobank vanwege dat onrechtmatig handelen lijdt te vergoeden.

3.2.4.

[gedaagde 1] dient de betalingsverplichting jegens Rabobank uit hoofde van de borgtochtovereenkomst na te komen.

4 Het verweer in conventie

Het verweer van [gedaagde 1] :

4.1.

Het verweer van [gedaagde 1] strekt tot afwijzing van de vorderingen van Rabobank met veroordeling van Rabobank in de proceskosten.

4.2.

[gedaagde 1] voert de volgende verweren.

4.2.1.

[gedaagde 1] heeft gedwaald bij het afgeven van de borgtocht van € 650.000,- op 13 juli 2011. Indien [gedaagde 1] een juiste en volledige voorstelling van zaken had gehad, had hij de borgtochtovereenkomst niet of niet onder gelijke voorwaarden gesloten. [gedaagde 1] beroept zich op vernietiging van de overeenkomst tot borgtocht ex artikel 6:228 lid 1 sub a, subsidiair sub b BW.
4.2.2. Rabobank had [gedaagde 1] moeten waarschuwen voor de gevolgen van de verstrekte borgtocht. Door dat niet te doen heeft Rabobank haar zorgplicht geschonden. Het gevolg daarvan is dat haar geen beroep op de borgtocht toekomt.

4.2.3.

Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Rabobank een beroep doet op de borgstelling.

4.2.4.

Er kan pas sprake zijn van een betalingsverplichting uit hoofde van de borgtocht als het faillissement van VDC Phila Group B.V. is afgewikkeld en vast staat wat de resterende schuld van Rabobank is.

Het verweer van [gedaagde 2] :

4.3.

Het verweer van [gedaagde 2] strekt tot afwijzing van de vorderingen van Rabobank met veroordeling van Rabobank in de proceskosten.

4.4.

[gedaagde 2] voert de volgende verweren.

4.4.1.

Rabobank komt geen actio pauliana toe. Van een onverplichte rechtshandeling was bij de overdracht van de onroerende goederen aan de [adres]...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT