Uitspraak Nº C/15/219701 / FA RK 14-4235. Rechtbank Noord-Holland, 2016-01-13

Datum uitspraak:2016/01/13
Uitgevende instantie::Rechtbank Noord-Holland
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/219701 / FA RK 14-4235 en C/15/225744 / FA RK 15-2579

tussenbeschikking d.d. 13 januari 2016 betreffende de echtscheiding en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. H. Oomen, gevestigd te Haarlem,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.R.J. Mulder, gevestigd te Utrecht.

1 De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties, van de vrouw, ingekomen op 12 december 2014;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met producties, van de man van
21 april 2015;

- het verweer op zelfstandig verzoek tevens wijziging en aanvulling verzoek, met producties, van de vrouw van 25 juni 2015;

- het faxbericht, met als productie het webformulier, van de advocaat van de man van
28 juli 2015;

- het webformulier, met producties, van de vrouw, ingekomen op 30 juli 2015;

- het verweer op zelfstandig verzoek, met producties, van de man van 11 augustus 2015;

- de brief, met productie, van de advocaat van de man van 12 augustus 2015;

- de brief, met producties, van de advocaat van de man van 11 november 2015;

- de akte wijziging en aanvulling van de (neven)verzoeken en gronden en overlegging producties van de vrouw van 13 november 2015;

- de brief, met productie, van de advocaat van de vrouw van 16 november 2015;

- het faxbericht van de advocaat van de man van 18 november 2015;

- het faxbericht, met producties, van de advocaat van de man van 19 november 2015;

- het faxbericht, met productie, van de advocaat van de vrouw van 20 november 2015.

1.2.

De zaak is gelijktijdig behandeld met de voorlopige voorzieningen zaak (C/15/234021 / FA RK 15-6486) op de zitting van 24 november 2015.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw bijgestaan door mr. H. Oomen en mr. B.H.A. Brauers, en de man bijgestaan door mr. A.R.J. Mulder.

1.3.

De minderjarigen [minderjarigen] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken.

Van deze gelegenheid hebben zij schriftelijk gebruik gemaakt.

2 De beoordeling
2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.

Scheiding

2.3.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zodat zij zal worden ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

2.3.3.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.4.

Nu geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv is overgelegd, zal het verzoek van de vrouw om het ouderschapsplan deel uit te laten maken van de beschikking worden afgewezen.

2.4.

Verblijfplaats

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.

De man heeft zich daartegen niet verweerd.

2.4.2.

De rechtbank zal het verzoek als op de wet gegrond toewijzen. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

2.5.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.5.1.

De vrouw heeft bij aanvullend verzoek verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen waarbij de minderjarigen de ene week op donderdag en vrijdag en de andere week van donderdag tot en met zondag bij de man verblijven.

Bij zelfstandig verzoek heeft de man verzocht te bepalen dat de minderjarigen in de even weken bij hem zullen zijn en in de oneven weken bij de vrouw, waarbij het wisselmoment op maandagmiddag na school is, en te bepalen dat de schoolvakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.

2.5.2.

Vaststaat dat de minderjarigen thans van zondagavond na het eten tot woensdag uit school bij de vrouw verblijven en van woensdag uit school tot vrijdag na het eten bij de man en dat de minderjarigen het ene weekend bij de vrouw verblijven en het andere weekend bij de man, van vrijdag na het eten tot zondagavond na het eten.

2.5.3.

De vrouw heeft tegen het verzoek van de man als verweer gevoerd dat zij het in het belang van de minderjarigen niet wenselijk acht dat zij zeven dagen achter elkaar bij de man verblijven aangezien het dan snel (fysiek) uit de hand loopt. De vrouw verwijst in dit kader naar de door haar overgelegde delen van haar dagboek.

Volgens de vrouw hebben de minderjarigen wel veel moeite met de wisselingen in de huidige regeling. Indien de rechtbank het verzoek van de man toewijst dan stelt de vrouw voor als wisselmoment te bepalen zondagavond voor het eten zodat de minderjarigen kunnen acclimatiseren voordat de schoolweek begint.

2.5.4.

Alle drie de minderjarigen hebben bij brief van 22 november 2015 de rechtbank bericht dat zij graag een ‘week om week’ zorgregeling willen.

2.5.5.

Gelet op de wens van de minderjarigen en nu de vrouw – tegenover de betwisting door de man – onvoldoende heeft onderbouwd dat de verzochte regeling niet in het belang van de minderjarigen is, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen met dien verstande dat het wisselmoment zondagavond 17:00 uur (voor het eten) zal zijn.

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat zij zondagavond kunnen acclimatiseren bij de andere ouder en dat zij niet hun – in het kader van de wisseling mee te nemen – spullen mee naar school hoeven te nemen. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

2.5.6.

Beide partijen hebben ter zitting de bereidheid uitgesproken om - onder begeleiding van een mediator of een hulpverlener van Centrum Jeugd en Gezin - hun onderlinge communicatie als ouders te verbeteren.

De advocaat van de man heeft aangeboden een voorstel aan partijen te doen voor een mediator gespecialiseerd op het gebied van minderjarigen.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in het belang van de minderjarigen op korte termijn een afspraak zullen maken met een mediator dan wel met Centrum Jeugd en Gezin.

2.6.

Woning

2.6.1.

De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden.

De man heeft zich daartegen niet verweerd.

2.6.2.

De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.

2.7.

Onderhoudsbijdragen

2.7.1.

De vrouw heeft (bij gewijzigd verzoek) verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 625 per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 55.713,75 bruto per maand vast te stellen.

De man heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

2.7.2.

Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij verwachtte in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden minimaal één miljoen euro uitgekeerd te krijgen en is zij om die reden in de voorlopige voorzieningen procedure akkoord gegaan met een door de man te betalen – volgens de vrouw – lage kinderbijdrage van € 300 per kind per maand en partnerbijdrage van € 1.000 per maand met ingang van 15 mei 2015.

Vaststaat dat de vrouw tot medio mei 2015 een inkomen had en dat zij thans bezig is met het opzetten van een eigen bedrijf. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat zij deze werkzaamheden vanwege gezondheidsproblemen stil heeft moeten leggen maar dat zij hoopt en verwacht dit weer op te kunnen pakken.

2.7.3.

Gelet op het bovenstaande en aangezien de standpunten van partijen ten aanzien van het door de man te betalen bedrag aan de vrouw in het kader van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden ver uiteen liggen, is de rechtbank van oordeel dat onder meer voor de beoordeling van de draagkracht van de vrouw ten aanzien van de kinderbijdrage en haar aanvullende behoefte aan een partnerbijdrage van belang is welk bedrag de vrouw uitgekeerd krijgt in het kader van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden en op welke termijn van haar verwacht kan worden dat zij weer eigen inkomsten gaat verwerven.

Tegen deze achtergrond zal de rechtbank – totdat definitief is beslist ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden – een voorlopige kinder- en partnerbijdrage vaststellen.

kinderbijdrage

behoefte

2.7.4.

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT