Uitspraak Nº C/16/504024 / KG ZA 20-276. Rechtbank Midden-Nederland, 2020-07-16

Datum uitspraak:16 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/504024 / KG ZA 20-276

Vonnis in kort geding van 16 juli 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. N.P. van Dijk te Amersfoort,

tegen

[gedaagde] , rechtsopvolger van [A] sr.,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Rasker te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure
1.1.

Vanwege de corona-crisis en de leeftijd van [eiser] is er in deze zaak geen zitting gehouden, maar is de procedure schriftelijk gevoerd. In deze procedure zijn de volgende stukken ingebracht:

  • -

    de dagvaarding van 30 juni met producties 1 tot en met 16 en de begeleidende brief met eisvermeerdering

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Daarnaast speelde nog het volgende. In de brief van 30 juni 2020 heeft [eiser] aan de voorzieningenrechter gevraagd om op zo kort mogelijke termijn een (deel)uitspraak te doen. In een brief van 1 juli 2020 heeft [gedaagde] hierop gereageerd. Waarop [eiser] in een brief van 3 juli 2020 zijn verzoek handhaafde. De voorzieningenrechter zag deze briefwisseling pas op 14 juli 2020 en heeft partijen toen laten weten dat er op 16 juli 2020 een (mogelijk verkort) vonnis komt.

2 Waar gaat de zaak over?
2.1.

[eiser] en de vader van [gedaagde] (hierna: [A] sr.) zijn in de jaren ’70 bevriend geweest. In die tijd heeft [eiser] twee geldbedragen van [A] sr. geleend van in totaal
ƒ 75.000,- (ƒ 69.000,- + ƒ 6.000,-).

2.2.

[eiser] en [A] sr. hebben onenigheid gekregen over het terugbetalen van deze leningen en dat heeft uiteindelijk geleid tot een rechtszaak bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht (zoals rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht toen heette). [eiser] is in die rechtszaak niet verschenen. In een verstekvonnis van 13 februari 1991 is [eiser] veroordeeld om het bedrag van ƒ 75.000,- terug te betalen samen met de daarover verschuldigde rente. Ook is in dit vonnis het op 12 oktober 1990 door [A] sr. gelegde conservatoire beslag op onroerend goed van waarde verklaard.

2.3.

[A] sr. en de moeder van [gedaagde] zijn inmiddels overleden. [gedaagde] is de enige erfgenaam van zijn ouders. Hij heeft het vonnis van 13 februari 1991 op 27 februari 2020 aan [eiser] betekend. In het exploot staat dat [eiser] een bedrag van € 82.684,31 aan [gedaagde] is verschuldigd.

2.4.

Op 5 maart 2020 is door [gedaagde] op grond van het vonnis van 13 februari 1991 executoriaal beslag gelegd op vijf onroerende zaken van [eiser] . Op 15 juni 2020 is ook nog beslag gelegd op twee bankrekeningen van [eiser] bij de Rabobank en onder negen derden (huurders van kamers in panden van [eiser] ).

2.5.

Met dit kort geding wil [eiser] er voor zorgen dat de executie van het vonnis van 13 februari 1991 wordt geschorst en dat de beslagen worden opgeheven.

3 Wat vindt de voorzieningenrechter er van?
3.1.

De voorzieningenrechter...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT