Uitspraak Nº C03/219387/HA ZA 16-209. Rechtbank Limburg, 2020-07-29

Datum uitspraak:29 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Limburg
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/219387 / HA ZA 16-209

Vonnis van 29 juli 2020

in de zaak van

1 SCB REAL ESTATE B.V., hierna: SCB,

2. WDL REAL ESTATE B.V., hierna: WDL

3. [vennootschap 3], hierna: [vennootschap 3] ,

4. [vennootschap 4], hierna: [vennootschap 4] ,

allen gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen, hierna gezamenlijk ook: [eiseressen] ,

advocaat mr. A.J.G. Bisscheroux,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

gedaagde sub 1,

ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat thans mr. R.G.P. Voragen,

en

2. [gedaagde sub 2],

gedaagde sub 2,

ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. P.M. Scholtes.

In dit vonnis wordt de nummering van het tussenvonnis van 4 december 2019 voortgezet.

11 De procedure
11.1

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 4 december 2019.

Na dit tussenvonnis:

- heeft [gedaagde sub 1] ingediend bij brief van 15 januari 2020 (per abuis is vermeld “2019”) waarop is vermeld “Inzake: Rekening en verantwoording Onze ref: [gedaagde sub 1] / [vennootschap 3] ” een pak producties;

- hebben [eiseressen] een conclusie na interlocutoir vonnis genomen, door de rolrechter bestempeld als “antwoordakte”.

11.2

Nadat vonnis is gevraagd, is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

12 De verdere beoordeling Ten aanzien van het tegen [gedaagde sub 1] gevorderde
12.1

Bij vonnis van 4 december 2019 is [gedaagde sub 1] in staat gesteld om bij akte rekening en verantwoording af te leggen conform het onder 4.22 van het tussenvonnis van 20 december 2017 overwogene, onderbouwd door middel van verificatoire bescheiden:

1. aan SCB over de ten laste van SCB betaalde bedragen, bedoeld onder 2.10 van het

tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub k in het vonnis van 4 december 2019),

alsmede het van [bedrijfsnaam] ontvangen bedrag van € 20.000,

2. aan WDL over de ten laste van WDL betaalde bedragen, bedoeld onder 2.11 van het

tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub l in het vonnis van 4 december 2019),

3. aan [vennootschap 3] over de ten laste van [vennootschap 3] betaalde en opgenomen bedragen, bedoeld

onder 2.9 van het tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub j in het vonnis van 4

december 2019),

4. aan [vennootschap 4] over de ten laste van [vennootschap 4] betaalde en opgenomen bedragen, bedoeld onder

2.7

en 2.8 van het tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub h en i in het vonnis van

4 december 2019).

12.2

De inhoud van hetgeen een rekenplichtige moet doen, wordt bepaald door de aard van de rechtsverhouding die verplicht te rechtvaardigen de behoorlijkheid van het vermogensrechtelijke beleid. De betreffende verplichting is in dit geval gevestigd door het uitdrukkelijke aanbod van [gedaagde sub 1] om rekening en verantwoording af te leggen (rov. 3.21 arrest hof). Dit geaccepteerde aanbod is gedaan, zo begrijpt de rechtbank uit pag. 6, nr. 1 dagvaarding, omdat er tussen eiseressen en [gedaagde sub 1] een (materiële) rechtsverhouding bestond inhoudende dat [gedaagde sub 1] van alle vier eiseressen een bankpas had ontvangen waarmee hij kon beschikken over de banksaldi van eiseressen teneinde werkzaamheden te verrichten terzake van het werven van obligatiehouders, zoeken van beleggingspanden en het doen van betalingen ten laste van de bankrekeningen terzake eenvoudige, min of meer als huishoudelijk te kwalificeren uitgaven. Hetgeen [gedaagde sub 1] in zijn antwoord in de nrs. 8-9 hierover heeft gesteld, is hiermee niet in tegenspraak. Ook uit het aanbod van [gedaagde sub 1] om rekening en verantwoording af te leggen zoals is vermeld op pag. 2 van het proces-verbaal van comparitie gehouden op 2 mei 2017 kan niet worden afgeleid dat de materiële rechtsverhouding anders is dan zoals net is vermeld. Of [gedaagde sub 1] al dan niet een blanco volmacht had, is in het kader van de rekenplicht niet van belang. Dat komt eventueel aan de orde indien volgens eiseressen uit de rekenplicht zou blijken dat [gedaagde sub 1] niet heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn volmacht en de volgens hen daaruit ontstane schade vergoed willen hebben, terwijl [gedaagde sub 1] bij wijze van voorbeeld daartegenover stelt dat het feit dat hij een blanco volmacht had, inhield dat de enige grens bestond uit het feit dat de door hem gedane uitgaven ten behoeve van eiseressen moesten zijn gedaan.

12.3

In rov. 12.1 is vermeld waarover [gedaagde sub 1] rekening en verantwoording moest afleggen. Uit die opsomming vloeit voort dat hij vier zelfstandige mapjes moest samenstellen: (i) een mapje inhoudende een compleet en geïndividualiseerd overzicht van de ten laste van SCB betaalde bedragen, bedoeld onder 2.10 van het tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub k in het vonnis van 4 december 2019) alsmede een overzicht van betalingen gedaan met het van [bedrijfsnaam] ontvangen bedrag van € 20.000, (ii) een mapje inhoudende een compleet en geïndividualiseerd overzicht van de ten laste van WDL betaalde bedragen, bedoeld onder 2.11 van het tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub l in het vonnis van 4 december 2019), (iii) een mapje inhoudende een compleet en geïndividualiseerd overzicht van de ten laste van [vennootschap 3] betaalde en opgenomen bedragen, bedoeld onder 2.9 van het tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub j in het vonnis van 4 december 2019) en (iv) een mapje inhoudende de ten laste van [vennootschap 4] betaalde en opgenomen bedragen, bedoeld onder 2.7 en 2.8 van het tussenvonnis van 20 december 2017 (rov. 7.1 sub h en i in het vonnis van 4 december 2019). In elk mapje diende hij vervolgens elke betreffende uitgave geïndividualiseerd op te schrijven en moest hij duidelijk maken waarom die uitgave is gedaan en welk goed daarmee is betaald. In het mapje rekening en verantwoording over de ten laste van SCB betaalde bedragen had dus bij wijze van voorbeeld ter zake de in rov. 7.1 sub k in het vonnis van 4 december 2019 genoemde betaling van rond 21 mei 2015 van € 9.000,- aan [naam 2] een verklaring moeten worden gegeven waarom dit bedrag van € 9.000,- aan [naam 2] is betaald of, eventueel, welke delen van dit bedrag van € 9.000, - niet door hem zijn betaald aan [naam 2] . Indien eiseressen vervolgens van mening zouden blijven dat die betalingen wel zijn gedaan, kan een bewijsopdracht volgen. Van de volgende in rov. 7.1 sub k genoemde post betalingen door [gedaagde sub 1] ten laste van SCB, de betalingen van 29 juni 2015 t/m 4 december 2015 van in totaal € 51.395,- op een Belgische bankrekening van [gedaagde sub 1] zelf, had de rekening en verantwoording allereerst een overzicht moeten inhouden van alle betalingen van in totaal € 51.395,-. Vervolgens had [gedaagde sub 1] achter elke betaling moeten vermelden de reden van betaling van dit bedrag aan hemzelf. Die reden had kunnen worden betwist waarna een bewijsopdracht had kunnen volgen. [gedaagde sub 1] heeft een en ander niet gedaan. Hij heeft geen voldoende handzame en duidelijke rekening en verantwoording gemaakt. Hij heeft slechts zonder enige toelichting overgelegd een pak producties onderverdeeld met tabbladen als “Kosten marketing/vertrieb”, “Auszahlung an [naam 3] ”...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT