Uitspraak Nº NL18.24948. Rechtbank Midden-Nederland, 2020-07-17

Datum uitspraak:2020/07/17
Uitgevende instantie::Rechtbank Midden-Nederland
 
GRATIS UITTREKSEL

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.24948

Vonnis van 17 juli 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisers, hierna samen te noemen: Eiser (en afzonderlijk: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] B.V.),
advocaat M.J. Hoogendoorn,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: Gedaagde,
advocaat H. Loonstein.

1 De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de conclusie van Eiser

  • -

    de conclusie van Gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Inleiding
2.1.

Gedaagde heeft op 19 februari 2015 in het televisieprogramma [televisieprogramma] uitlatingen gedaan die Eiser onrechtmatig vindt. Eiser vordert dat voor recht wordt verklaard dat dit zo is, dat Gedaagde jegens hem schadeplichtig is en wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Daarnaast wil eiser dat een rectificatie wordt geplaatst op Twitter en in de Telegraaf, op straffe van een dwangsom.

2.2.

Gedaagde vindt de uitlatingen niet onrechtmatig en beroept zich op zijn vrijheid van meningsuiting. Ook betwist hij dat Eiser schade heeft geleden door de uitlatingen. Wat hem betreft worden de vorderingen afgewezen.

3 De beoordeling
3.1.

De uitlatingen van Gedaagde die in dit geschil ter beoordeling voorliggen zijn de volgende:

“Gedaagde: Mijn broers [A] en [B] , en daar hebben we het hier over, dat zijn

uitstekende juristen, die de praktijk nog hebben en ik kan ook als je het me vraagt

alleen maar de mensen aanraden daar vooral naar toe te gaan…Dat geldt overigens niet

voor m'n neefje [eiser sub 1] want die is die achternaam niet waard, ehm-

Interviewer: -Daar ben je boos op, hè?

Gedaagde: Nou ja maar dat is weetje dat is eigenlijk een niemendal, maar waar het

om gaat is-

Interviewer: -Hij is nog advocaat

Gedaagde: Jawel, dat weet ik

Interviewer: -als enige

Gedaagde: Dat weet ik [gelach publiek] Dat is waar maar dat heeft te maken met z'n

achternaam en niet met z'n kunde.

Interviewer: -Oh ja?

Gedaagde: Ja, je hoort het me toch zeggen?

Interviewer: -Ja ik hoor…Kijk zo kennen we de oude [gedaagde] weer

Gedaagde: Anders dan [B] en [A] waar ik mijn problemen mee heb daar zeg ik je,

je kent me ook wel lang genoeg dat ik open en eerlijk ben, dat zijn uitstekende juristen.

Dat is met m'n neefje niet het geval.(…)”

Toetsingskader onrechtmatige uitlating: botsing grondrechten

3.2.

Bij de vraag of een uiting onrechtmatig is zijn twee grondrechten aan de orde. Aan de ene kant het recht op vrijheid van meningsuiting van degene die de uitlating doet (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Aan de andere kant het recht op eerbiediging van de eer en goede naam van degene over wie de uitlating gaat (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM). Tussen die twee fundamentele rechten bestaat geen rangorde, zodat per geval aan de hand van de specifieke omstandigheden moet worden bepaald welk grondrecht in deze situatie zwaarder moet wegen. Het gaat daarbij niet om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging). Deze toetsing moet in één keer gebeuren, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 [naam] / [naam]; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A).

Feit of mening?

3.3.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen feitelijke beweringen of beschuldigingen enerzijds en het kenbaar maken van een negatief waardeoordeel of een mening anderzijds. Waar in het eerste geval in de belangenafweging moet worden betrokken of de uiting steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, is dat bij waardeoordelen of meningen niet het geval. Om de juiste toets aan te kunnen leggen moet dus eerst worden bepaald of de uitlatingen feitelijke beweringen zijn of de uitdrukking van een waardeoordeel. Het onderscheid daartussen is niet altijd duidelijk, zoals ook hier. Overigens is het onderscheid in zoverre relatief, dat ook een waardeoordeel enige feitelijke onderbouwing moet hebben om rechtmatig te kunnen worden geuit (EHRM 20 maart 2018, nr. 45791/13, Falzon/Malta).

3.4.

In dit geval vindt de rechtbank doorslaggevend dat de meeste uitlatingen zijn gepresenteerd als feiten. Nergens wordt expliciet gemaakt dat het gaat om de persoonlijke mening van gedaagde (bijvoorbeeld door woorden als “Ik vind…” of “Naar mijn smaak/mening…”). Ook uit de context blijkt niet dat de kijkers de uitingen moeten opvatten als een mening. Aan het woord is een bekende Nederlander, waarvan iedereen weet dat hij jurist is en voormalig strafpleiter.

Gedaagde zegt: Mijn broers [A] en [B] , en daar hebben we het hier over, dat zijn uitstekende juristen (…) Dat geldt overigens niet...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT